Het kabinet wil forst bezuinigen op de overheid en het aantal ambtenaren. Een loffelijk streven, al moet nog wel duidelijk worden gemaakt hoe dit gerealiseerd wordt. Er moeten duidelijke keuzes gemaakt worden om het aantal taken van de overheid te verminderen. Het zonder enig idee saneren van het ambtenarenapparaat zorgt alleen maar voor een toename van het aantal adviseurs. Carola Schouten schreef vorige week al een uitstekende blog waarin ze beargumenteerde dat veel overheidstaken door het maatschappelijk middenveld overgenomen kunnen worden. Een tweede mogelijkheid is het aantal bestuurslagen dat zich met bepaald beleid bemoeit fors terugdringen.
Dit is echter makkelijker gezegd dat gedaan. Al jaren wordt geprobeerde bestuurlijke druk te verminderen. Het resultaat is echter minimaal. Een van de oorzaken hiervan is dat beleidsmakers een soort ‘beleidsgulzigheid’ hebben om te laten zien hoe belangrijk ze zijn. Bestuurders/ ambtenaren zijn aangesteld om beleid te maken. Als ze dit niet doen is hun functie dus overbodig, of op z’n minst minder belangrijk. Het logische gevaar is dus dat er zo veel mogelijk beleid wordt gemaakt, zonder de vraag te stellen welk probleem nu daadwerkelijk opgelost wordt. Hetzelfde mechanisme is vanuit financieel oogpunt zichtbaar. Als er een bepaald budget voor een beleidsveld beschikbaar is, moet dit opgemaakt worden. Iedereen wil vanzelfsprekend voorkomen dat hij het jaar erop minder geld beschikbaar heeft. Het openbaar bestuur heeft dus in zichzelf de neiging om constant op zoek te gaan naar nieuwe taken en nieuwe functies, om zijn eigen legitimiteit te waarborgen.
Het sterkst is dit wellicht zichtbaar bij de provincies. Hoewel deze op verschillende terreinen, denk bijvoorbeeld aan ruimtelijke ordening en infrastructuur, een belangrijke middenfunctie vervullen, is er ook overbodig provinciaal beleid. Zonder gedegen onderzoek wat voorbeelden uit de provincie waarin ikzelf woon (Gelderland), waarbij in ieder geval ernstige vraagtekens bij nut en effectiviteit gezet kunnen worden.
Het eerste voorbeeld is het beleid op het gebied van sociale veiligheid. Dit moet ervoor zorgen dat mensen zich veilig voelen op straat en in hun eigen wijk. Sociale onveiligheid is echter een lokaal probleem. De provincie moet zich niet bezig houden met plekken waar openbare dronkenschap is of waar gerookt wordt terwijl dit niet mag (een bron van problemen volgens de provincie). Gemeenten houden zich hier mee bezig en kunnen dat lijkt me prima zelf. Ik zie niet in waarom hier provinciebreed beleid voor nodig is.
Een tweede voorbeeld zijn de provinciale projecten om dakloosheid aan te pakken. Dakloosheid is ook een fenomeen dat lokaal speelt. Volgens mij verhuizen daklozen zelden naar een andere stad. Het zijn dan ook voornamelijk lokale projecten die de provincie steunt. Ook dit kan prima overgelaten worden aan gemeenten. En zo is er nog veel meer beleid, waar de bemoeienis van de provincie geen toegevoegde waarde heeft.
Er provinciale beleid kan dus fors verminderd worden, wat kan zorgen voor een forste bezuiniging. Snoeien, zoals Rutte dat noemt is echter niet voldoende. Als je iets snoeit groeit het later immers weer aan. Provinciaal beleid heeft soms iets weg van onkruid, dat steeds meer ruimte inneemt. Onkruid moet je niet snoeien, maar met wortel en al uitroeien. Voor een blijvende oplossing, die voorkomt dat het bestuur in al zijn gulzigheid weer groeit zijn stevige maatregelen nodig. Het lijkt me een goed idee om bepaalde beleidsterreinen als niet toegankelijk te verklaren. Hoewel dit lastig zal zijn (er is immers een grondwetswijziging voor nodig) moet de provincie in haar kerntaken een open bestuur blijven, maar moet beleid op andere terreinen onmogelijk worden gemaakt. Een goed debat over wat de kerntaken van de provincie zijn is daarvoor nu noodzakelijk.



Naast de “beleidsgulzigheid” (zou een mooi nieuw woord zijn voor de Van Dale) moet je niet vergeten dat van ambtenaren in feite gevraagd wordt zichzelf weg te bezuinigen. Dat gaat natuurlijk nooit gebeuren. Uiteindelijk kiezen mensen altijd voor zichzelf als ze persé moeten kiezen.
Verder wil ik even reageren op je opmerking over de daklozen en hun verhuisneiging. Daklozen zijn juist heel erg geneigd om van gemeente naar gemeente te gaan. Soms moeten ze wel omdat ze letterlijk in een andere gemeente worden gedumpt (rond Koninginnedag gebeurt dat bijvoorbeeld in steden als Amsterdam, Den Haag en Utrecht; dak- en thuislozen worden in bussen gepropt en richting het Oosten van het land getransporteerd vanwaar ze maar moeten zien dat ze weer terugkomen) of omdat ze in een bepaalde gemeente hun mogelijkheden hebben uitgeput qua slaapplaatsen of andere voorzieningen. Maar zeker de groep dak- en thuislozen die bewust kiest voor een buitenleven is ook geneigd om niet te lang in 1 gemeente te blijven. Immers, als ze dat zouden willen, zouden ze ook wel gewoon in een huis of apartement kunnen gaan wonen.
Ik ben overigens wel met je eens dat de Provincie zich daar verder tot een minimum mee zou moeten bemoeien. Feitelijk zou het daklozenbeleid landelijk moeten worden geregeld aangezien het geen lokaal of provinciaal probleem is maar een landelijk (of nu, met het vrije verkeer binnen de EU, een Europees) probleem. Dan kan je het beleid op lokaal niveau finetunen maar het zou dan nationaal aangestuurd moeten worden. Niet in de laatste plaats omdat dak- en thuislozen nu precies weten waar ze waarvoor moeten aankloppen nu deze informatie niet centraal geregistreerd is. Zo zijn er voorbeelden bekend van dak- en thuislozen die in diverse gemeenten aanvragen deden voor bepaalde (financiële) hulp en dit ook in al die gemeenten toegewezen kregen.