Of de winter in strengheid de voorspellingen waarmaakt die passen bij de film Nova Zembla, is nog de vraag. Wel duidelijk is dat Kuyper met zijn AntiRevolutionaire Partij meer wilde dan alleen de kerk in een liberaal land laten overwinteren met gesloten ramen en deuren. Even duidelijk is dat James Kennedy in zijn ‘Stad op een berg’ de kerk wel ‘contrastgemeenschap’ noemt, maar daarom niet deuren en ramen wil sluiten zoals de bemanning in het Behouden Huis op Nova Zembla zelfs iets te goed deed (zie zijn hoofdstuk 5): zo’n stad mag opvallen. Minder duidelijk is wat christenen anno nu politiek moeten willen met die open ramen en deuren. Adviseert Ad de Bruijne (‘Niet van deze wereld’, in Theologia Reformata, december 2011) neocalvinisten om wel tot een opgesloten vorm van overwinteren over te gaan?
Om maar met die deur in huis te vallen: ik geloof er niets van. Relativering van het streven naar publieke of politieke relevantie is niet: pleiten voor terugtrekking uit politiek of samenleving. De Bruijne’s titel ‘Niet van deze wereld’ is sprekend in wat het verzwijgt: ‘…, wel in deze wereld’. (Per welhaast profetische vergissing typeerde iemand van de SGP zijn eigen achterban met het omgekeerde.) Expliciet neemt De Bruijne afstand van een ‘dopers’ dualisme tussen schepping en verlossing (369, 380-381). Hij heeft zelfs vier paragrafen nodig om de publieke en politieke roeping van christenen en kerken op tafel te leggen (383 e.v.).
Is er dan geen angel voor neocalvinisten? Ja, minstens drie zelfs. De Bruijne neemt een zekere afstand van Calvijn die bij de overheid een taak legt rond burgerlijke of uiterlijke ‘rechtheid van zeden’ of zelfs ‘godsdienst’ (387; vgl. Institutie IV,1-3). En de kerk is voor de Bruijne ook meer dan slechts een van de sectoren van de samenleving (377): de kerk is immers de ‘bevolking-in-wording’ voor de ‘samenleving van de toekomst’ (376). Beide punten benadrukken het anders-zijn van de kerk – in een samenleving die hoort bij de ‘oude aeon’, een oude wereld die ‘onontkoombaar in de verkeerde richting’ beweegt (389). De derde angel bestaat uit vier ‘anabaptistische’ weerhaakjes, waarmee De Bruijne de (neo-)calvinistische politieke traditie wil prikkelen om een meer bijbelse bedding te volgen: (a) Gods Rijk is politiek van karakter, het relativeert bestaande aardse machten; (b) tegelijk is het alleen in de hemel realiteit, hier op aarde iets van de toekomst; (c) de kerk ‘hoort’ als enige samenlevingsverband bij die toekomst; (d) maar op de weg naar die toekomst is het gebruik van machtsmiddelen niet legitiem. Alle angels en haakjes stellen vooral de vraag: hoe hoog mikken kerken of christenen bij hun inzet op en voor het oude ‘Zembla’?
Of is de kerk té anders om nog iets te maken te hebben met de bestaande samenleving? Dat zegt De Bruijne zeker niet. Volgens hem moet de kerk juist ‘zichzelf niet in deze contrastpositie nestelen’, bijvoorbeeld door ‘zich nu al te profileren als een aardse samenleving’ (378). De kerk mag dan vanwege de verbondenheid met de ‘nieuwe aeon’ geen gewone sociologische sector zijn zoals vele andere, maar is wel ‘aangewezen op de samenlevingen van het heden’ (379). Hij benadrukt, met andere woorden, zowel de continuïteit als de discontinuïteit tussen kerk en samenleving – met in het gesprek tussen neocalvinsiten en anabaptisten een accent op het het unieke, eigen-aardige, en ‘futurische’ (388) van evangelie, kerken en christenen. Deuren en ramen kunnen en moeten open – en regelmatig ook dicht. Dat politieke inzet daarmee iets wordt als ‘de tweede stem zingen’ (Stefan Paas), lijkt mij een bijbelse, zinvolle relativering.
Een relativering. Die echter wel verdere doordenking vergt. Want is alles nu helder dankzij het genuanceerde betoog van De Bruijne? Helaas. Ook hier wreken zich de dorens en distels van dit tijdelijke saeculum. Juist de nuances verwarren. Want moeten christenen zich nu ‘schikken’ in ‘bestaande verhoudingen’ (378) of ‘structuren’ (387)? Of deze enkel ‘respecteren’ (382)? Of kunnen ‘[z]elfs politieke instituties onder invloed van het evangelie worden hervormd’ (368)? Immers, de ‘zegen die de christelijke gemeenschap verspreidt, kan zelfs bestaande samenlevingen saneren, culturen transformeren, en politieke instituties vernieuwen’ (382)! ‘De krachten van het koninkrijk bleken in beginsel op alle terreinen van de scheppingswerkelijkheid zegenrijk te kunnen doorwerken. (…) Zo heeft de koninkrijksstijl van de kerk in de geschiedenis indirect sanerend doorgewerkt op gebieden als zorg, sociale gerechtigheid, wetenschap en maatschappelijke gelijkberechtiging’ (386). Doorwerken, saneren, alle terreinen – veel Kuyperiaanser kan het nauwelijks. Maar let intussen op het woordeke ‘indirect’. Daarin klinkt die tweede stem.
Onduidelijk blijft zo hoeveel van christenen en kerken verwacht mag worden aan bewust gezochte invloed in de samenleving. De ‘actieradius’ van onze veranwoordelijkheid is ‘groter dan in het Nieuwe Testament’. Die ruimere armslag brengt mee, dat de kerk ‘meer zou kunnen betekenen in de bestaande samenleving’ dan een scherpe scheiding tussen de bestaande oude en de nieuwe ‘aeon’ suggereert (382). Te terughoudend vindt De Bruijne wie zich beperkt tot ’tolerantie tegenover ongeloof en kwaad’, op grond van de anabaptistische ‘pacifistische basisbeslissing’. Zelfs gelovigen hoeven geweld niet te schuwen – in overheidsdienst. Omdat God in zijn zorg voor deze oude wereld ‘kwaad en onrecht’ via overheden ‘beteugelt’, gebruikt Hij in ‘zijn rechterlijk handelen’ mensen die ‘met macht en geweld’ kunnen optreden – en dat kunnen ook ‘gelovigen’ zijn (381). En ook partijvorming heeft een machtsaspect (390). Voor De Bruijne blijft echter wel het springende punt: christenen moeten ‘in de politiek geen universele koninkrijksnormen willen implementeren’, ook niet slechts in ‘uiterlijke gedaante’ (387; Calvijn). Toch blijft intussen open of en hoe deze koninkrijksnormen dan ‘ongewild’ wel mogen doorwerken – zoals ‘in de geschiedenis indirect’ eeuwenlang gebeurd is.
Wellicht is niet het goede ‘willen’ het probleem, maar het goede ‘te graag willen’. De mannen van Willem Barentsz maakten hun houten huis terecht winddicht; maar ze isoleerden het té goed, zodat we nu bijna geen film gehad hadden… Wordt vervolgd!





Beste Rob,
Mooie reactie op het artikel van De Bruijne (TR, december 2010). De reactie van Schutte in het ND had andere accenten en was minder diepgaand.
Bij lezing een spontane reactie mijnerzijds. Welke kerk wordt bedoeld? De kerk bestaat niet. Er is een onzichtbare en een zichtbare kerk. De onzichtbare kerk is van de Koning van die kerk en dus niet van deez werled en al helemaal niet van ons kerkgangers. Hij bouwt en leidt deze kerk door alle kerkelijke gemeenschappen heen. De zichtbare kerk, de verschillende instituties, hebben een andere betekenis, hebben naast woordverkondiging en missionair te zijn een plaats in te nemen in de samenleving en hun geluid te laten horen.
Sterkte bij het werk op het WI
Hèhè, in de allerlaatste zin een aansluiting voor een bouwvakker: ze isoleerden té goed tegen tocht. Niet tegen de koude hoor, dat kan niet te veel zijn, al zouden ze een meter dik isoleren. (overigens deden wij hier 50 jaar geleden toch ook nog niks aan thermische isolatie?) Maar als alle verse lucht buiten moet blijven, ja, dan raakt ooit de zuurstof binnen op en dan krijgen ze het knap benauwd, reken maar.
Nou heb ik de film niet gezien, maar heb daar wel een voorstelling van. In de bouw spreken we van een benodigd ventilatievoud; hoeveel keer in een uur wordt de ruimte doorgespoeld. Dat stelt eisen aan de kieren en tochtweringen. Omdat het hier nu een krachtige wind is (tegen stormachtig aan) hebben we alle ramen zo’n beetje dicht. Dan komt er toch nog genoeg verse lucht binnen hoor. Zelfs via de geventileerde kruipruimte, in verbinding met de kelder.
Nou heb ik uiteraard ook het boek van meneer De Bruijne niet gelezen, (zulke moeilijke boeken staan ook niet op mijn boekenplankje, denk ik) maar de heer Nijhoff legt best goed uit wat er in dat boek staat, voor zover dat van belang is voor zijn betoog, vind ik. Een pietsie snap ik ook wel wat hij met die boekbespreking bedoelt, geloof ik.
Wat ik nog wel mis in mijn ongeduld, (het wordt immers nog vervolgd) is zijn eigen conclusie; de aanbevolen toepassing voor de politiek van de ChristenUnie in de arena vol met anders denkenden. (voor de blijkbaar broodnodige pluriformiteit, leerde ik op een andere draad. Dus ook behoeftig aan een broodnodige Verlichting en een nodig spoortje zout, van de ChristenUnie, vul ik aan.)
Wat dat betreft heeft André Rouvoet in de tijd dat hij als onze volksvertegenwoordiger in de Kamer zat, wel steeds een goed christelijk geluid laten horen, vind ik. Dat leverde hem toch zelfs een keer een verkiezing van politicus van het jaar op, is het niet?
Wij hebben ècht een boodschap voor de wereld hoor!! Ook los van de verlossing in Christus, zijn onze Woorden van de Grote Schepper aller dingen heilzaam voor alle dingen in een wereld verloren in schuld, toch? Of niet soms?
Dat ook de slaven van het postmodernisme (u mag zelf kiezen aan wie je dan denkt) daar maar door ons getuigenis, oog voor mogen krijgen, is mijn hartelijke wens.
@PvD: Dank. Ik had ‘gewone’ zichtbare kerken in gedachten.
Ik snap overigens goed dat gereformeerden die ‘dopers’ altijd als ‘tegenspeler’ meekregen, zich nu afvragen of er niet teveel opgegeven of geknuffeld gewordt. Ik was ooit na mijn vrijgem. middelbare school heel verbaasd toen ik de Busch-biografie over Karl Barth las: deze Barth leek mij een erg moedige christen, en dat had niemand mij verteld. Dat hij aanvankelijk doorslaat in zijn ‘verticale’ theologie, blijkt hij zelf in de loop van zijn leven een eindweegs te corrigeren. Kortom: ook daar zat zo’n z/w vijandsbeeld dat nuance behoefde.
@ben: Ook dank. De praktische toepassing voor de CU lijkt mij vooralsnog: gewoon doorgaan! Niks schroom of meel in de mond.
Belangrijker nog is de toepassing voor de kerken: durf zo nu en dan iets te zeggen tegen een lokale wethouder of burgemeester; schrijf een gemeenteraad of een lokale krant eens een bezorgde brief over een plaatselijke misstand die doorettert; of organiseer iets sociaals in samenwerking met een buurthuis. Zolang je maar jezelf mag blijven, met evangelie en al.
Mooi verhaal, maar toch blijft het bij mij wringen. Een lezersreactie vanochtend in het ND maakte mij duidelijk waarom. Het gaat over Kuijper, over Calvijn, over Barth, een beetje over de wederdopers van 400 jaar geleden, maar spreekt de Bijbel nog in onze discussie? Zijn wij, en is het WI nog in staat om los te komen van onze favoriete theologen en voormannen en terug te gaan naar de Bijbel, ook bij dit thema? Binnen de CU zijn namelijk veel evangelischen actief en die hebben echt helemaal niets met deze discussie zolang het over Calvijn, Kuijper en Barth gaat. Als reformatorische christen die weinig opheeft met een grote rol voor de overheid voel ik mij namelijk verwant met de evangelische stroming en ik heb de indruk dat dat voor veel mensen in de reformatorische kerken geldt. Het is een discussie ‘in kleine kring’ en onze partij heeft behoefte aan meer. Ook meer dan het antwoord van Rob aan Ben hierboven.
Mooi verhaal, maar toch blijft het bij mij wringen. Een lezersreactie vanochtend in het ND maakte mij duidelijk waarom. Het gaat over Kuijper, over Calvijn, over Barth, een beetje over de wederdopers van 400 jaar geleden, maar spreekt de Bijbel nog in onze discussie? Zijn wij, en is het WI nog in staat om los te komen van onze favoriete theologen en voormannen en terug te gaan naar de Bijbel, ook bij dit thema? Binnen de CU zijn namelijk veel evangelischen actief en die hebben echt helemaal niets met deze discussie zolang het over Calvijn, Kuijper en Barth gaat. Als reformatorische christen die weinig opheeft met een grote rol voor de overheid voel ik mij namelijk verwant met de evangelische stroming en ik heb de indruk dat dat voor veel mensen in de reformatorische kerken geldt. Het is een discussie ‘in kleine kring’ en onze partij heeft behoefte aan meer. Ook meer dan het antwoord van Rob aan Ben hierboven.
@Rolf: Het aardige van dit gesprek is nu juist dat een (neo-)calvinistische hoofdlijn bevraagd wordt – en ja, juist vanuit evangelische hoek verwacht ik herkenning van de ‘doperse’ vragen. Ook bij rechtstreeks beroep op de bijbel blijken vaak overkoepelende denklijnen op de achtergrond een ‘bril’ te vormen – en die bril kan calvinistisch of anabaptistisch zijn, of rooms-katholiek, of vrijzinnig, met allerlei gradaties daar nog tussen of naast. Maar het gesprek mag en moet inderdaad zeker ook met beroep op de bijbel zelf verder, wat mij betreft. Zo kan ook bijv. kritiek op de bedoelingen van een belijdenis-artikel, zoals art. 36 Ned. Gel. Bel., verwoord worden. Het zou evangelische christenen overigens sieren als ze minder allergisch zouden reageren op geschriften die aantoonbaar historisch een belangrijke rol hebben gespeeld in het getuigen voor Jezus Christus.
Beste Rob,
Wanneer heb jij voor het laatst een evangelicaal van enige statuur ‘allergisch’ zien reageren op traditie en belijdenisgeschriften? Die veronderstelde ‘allergie’ voor dogma en traditie is een hardnekkig reformatorisch vooroordeel (en ook katholiek, getuige het opiniestuk van Remco in het ND deze week dat min of meer hetzelfde cliché herkauwt – ‘objectivistisch versus subjectivistisch’), maar heeft met de werkelijkheid weinig van doen. Evangelischen zien hun theologische traditie als voortbouwend op het fundament van de apostolische belijdenissen en de reformatie, niet als een ‘tegenover’ daarvan. De Koninkrijkstheologie van George E. Ladd (niet te verwarren met de radicale ‘Kingdom Now’ theologie!!) is bijvoorbeeld een rechtstreeks uitvloeisel van de heilshistorische theologie van H.N. Ridderbos en F.W. Grosheide – d.w.z. zij is in essentie ‘neo-calvinistisch’.
Het is daarom ook veel te smal en onnodig polariserend om ‘evangelisch’ gelijk te stellen met ‘dopers’, zoals jij lijkt te suggereren. De ‘doperse vragen aan de neo-calvinistische lijn’ zoals jij die in je artikel stelt, zijn namelijk helemaal niet ‘dopers’, maar zijn vragen van alle christenen van alle tijden. Het zijn de vragen van Augustinus: hoe verhoudt zich de ‘civitate Dei’ en de ‘civitate terrena’, en welke rol speelt de christen in beide? Het zijn de vragen van Kuyper: welke verantwoordelijkheid hoort primair bij welke ‘kring’? Het zijn de actuele vragen van vandaag: in hoeverre en op welke terreinen is de kerk het vehikel om je in te zetten voor sociale gerechtigheid, en in hoeverre en op welke terreinen is de overheid dat?
Christenen uit alle drie hoofdstromen van het westerse christendom (katholiek, protestant en evangelisch) vinden elkaar in die vragen, en formuleren er antwoorden op. Juist evangelische theologen zijn de laatste decennia erg actief in het formuleren van een holistische theologie, waarin hoofd, hart en handen samenkomen: de waarheden van het evangelie zoals omschreven in de belijdenissen, die zich vervolgens vertalen in concrete actie in termen van persoonlijke bekering, herstel van gebrokenheid, politiek-maatschappelijke betrokkenheid en sociale zorg. In dat licht vind ik het jammer en onnodig dat je in een bijzin evangelische christenen even afdoet als ‘allergisch’ voor christelijke denktradities en (belijdenis-) geschriften.
Wat mij betreft staat de christelijke politiek voor twee grote vragen, waarop we vanuit onze gedeelde traditie (die naast de aardse rijken ook een Koninkrijk van God erkent dat zich in de aardse affaires mengt!) antwoorden moeten formuleren. De eerste vraag gaat over religie versus overheid, en de tweede over de rol van overheid en samenleving in het bevorderen van sociale gerechtigheid.
Mbt de eerste vraag zie ik veel in het onderscheid dat Gert-Jan Segers maakt: de overheid staat niet in dienst van de waarheid maar van het recht. M.i. heeft dat uitgangspunt vergaande politieke consequenties, en gelukkig begint de CU die te trekken: geen achterhoedegevechten meer voeren over het recht om weigerambtenaar te zijn bijvoorbeeld, maar de meer fundamentele vraag stellen wat het burgerlijk huwelijk eigenlijk betekent in een pluralistische, post-christelijke samenleving. In diezelfde lijn zie ik de discussie over de zondag: het promoten van een gezond ritme van arbeid en rust lijkt mij behoren tot het ‘recht’, de voorkeur voor één specifieke dag voor die rust komt uit het domein van de religieuze ‘waarheid’, en verdient dus geen politieke verdediging.
Laten we ons geen illusies maken: ongeacht onze interne doordenking over dit thema, worden dit soort christelijke sporen in onze wetgeving toch wel verwijderd. Of we ons daar met hand en tand tegen verzetten of vanuit onze christelijke traditie actief en constructief meedenken over alternatieven anno 2011 heeft echter wel enorme implicaties voor het publieke imago van christenen, en daarmee voor de zaak van het evangelie!
Mbt de tweede vraag geldt min of meer hetzelfde: de realiteit zal ons achterhalen. De vraag of het wel of niet wenselijk is dat de overheid taken afstoot naar ‘de samenleving’ is een luxe-vraag. De Nederlandse welvaartsstaat zakt door haar hoeven. Niet slechts onder het gewicht van schulden, maar onder het gewicht van een meer structureel probleem: de omkering van de bevolkingspiramide, waardoor steeds minder actieven voor steeds meer inactieven moeten zorgen. Dat kán gewoon niet allemaal via de overheid blijven lopen, vanwege twee fundamentele problemen: alles wat een ‘recht’ is, leidt tot een ‘entitlement culture’ waarin misbruik altijd een probleem zal blijven, en daarnaast bestaat er naast marktfalen ook zoiets als overheidsfalen: de overheid voegt haar eigen inefficiëntie toe in eindeloos uitdijend toezicht en risicomanagement, en krijgt haar doelen niet tegen een verantwoorde prijs gerealiseerd.
Voor dit probleem heeft de christelijke traditie een geloofwaardige en relevante ‘derde weg’. Liberalen kunnen het alleen oplossen door de inactieven minder diensten te verlenen (“eigen verantwoordelijkheid”), en socialisten alleen door de actieven nóg verder uit te persen (“sterke schouders, zware lasten”). We bereiken momenteel de grens van BEIDE…we leven in één van de meest genivelleerde en zwaarst belaste landen ter wereld, en toch kunnen we hoe langer hoe minder onze zwakkeren van de gewenste zorg voorzien. Dat komt omdat de omkering van de bevolkingspiramide het systeem van herverdeling van welvaart via de overheid fundamenteel onhoudbaar maakt.
Het is dus geen vraag óf er meer van de samenleving gevraagd gaat worden, dat is een gegeven. Net als bij de vraag van religie versus overheid: laten we ons niet langer met hand en tand tegen de realiteit verzetten of discussiëren of de realiteit wel wenselijk is, maar actief en constructief vanuit onze gedeelde traditie nieuwe antwoorden zoeken.
Die gedeelde traditie houdt in elk geval in dat er naast de aardse koninkrijken een Koninkrijk van God bestaat, waarvan wij burgers zijn, en waarvan dit burgerschap in het hier en nu dient te leiden tot concrete inzet en actie. Als het goed is, relativeert dat feit veel ‘heilige huisjes’ op religieus en maatschappelijk gebied die we binnen ons ‘aardse koninkrijk’ hebben opgebouwd – nuttig voor een tijd en voor een doel, maar nooit een doel op zich. Het Koninkrijk van God blijft, en wie daarin leeft, vindt nieuwe antwoorden wanneer de maatschappelijke realiteit verandert. En als de boel schudt, wordt van burgers van dat Koninkrijk gevraagd om “sterk te zijn en in actie te komen” (Daniël 9 – een Koninkrijksburger in overheidsdienst!) – vaak ‘door middel van’ maar nooit ‘afhankelijk van’ het overheidsinstrument. Dat is de kracht van de doperse, ehhh neocalvinistische, ehhh Kuyperiaanse, ehhhh, o ja, Bijbelse traditie!
De hele week jeukten mijn vingers om te reageren op die vervelende opmerking van Rob over allergische evangelischen en over het gelijkstellen van de wederdopers aan de huidige evangelischen. En maar hopen dat Alex zou reageren en gelukkig is dat gebeurd! De verwijzing van Alex naar Augustinus is de spijker op zijn kop. Zijn ideeën over de overheid zijn uiterst actueel en zouden binnen de CU katholieken, evangelischen en reformatorischen kunnen binden. Ook de verwijzing naar Grosheide is heel interessant, alhoewel het vrijgemaakt deel in de CU daar waarschijnlijk wat moeite mee heeft.
Alleen maakt Alex helaas ook weer een vergissing door te stellen dat het vooroordeel over evangelischen typisch katholiek en reformatorisch is. Binnen de reformatorische kerken wordt er in ieder geval bij het ‘gewone kerkvolk’ steeds meer verwantschap gevoeld met de evangelische stroming. Waarschijnlijk heeft de samenwerking tussen J.H. Velema en Kits sr. daar een belangrijke rol in gespeeld. Van harte eens ook met de opmerkingen van Alex over het artikel van Remco in het ND. Een artikel waarvan ik me werkelijk afvraag wat hij er mee wil bereiken. Het mag dan zo zijn dat vrijgemaakten en katolieken elkaar vinden in de vooroordelen over evangelischen, maar laten we dat binnen de CU proberen te voorkomen. De combinatie reformatorisch + evangelisch lijkt mij de enige basis met toekomstmogelijkheden voor de CU. Een herijking van de visie op de overheid hoort bij dat proces en waarom zou je dan niet teruggaan tot Augustinus? En via Augustinus naar de Bijbel om zo te komen tot een derde weg zoals Alex die zo mooi noemt, tussen liberalen en socialisten en tegenwicht te bieden aan libertijnen en populisten.
Rob, pak deze handschoen alsjeblieft op binnen het WI.
Rolf,
“Alleen maakt Alex helaas ook weer een vergissing door te stellen dat het vooroordeel over evangelischen typisch katholiek en reformatorisch is. Binnen de reformatorische kerken wordt er in ieder geval bij het ‘gewone kerkvolk’ steeds meer verwantschap gevoeld met de evangelische stroming.”
Je hebt helemaal gelijk – ik moet niet zelf gaan doen wat ik anderen verwijt. Ik neem deze terug.
@Rob, Ik denk dat je aan aantal juiste vragen stelt, maar de discussie het risico loopt te focussen op stromingen, hokjes, etc. Laten we daarom ook onderscheid houden tussen doel en middel.
Nav een lezing van James Kennedy over zijn boek mbt tot de rol van de kerk, zou ik willen opmerken dat we wel de balans goed moeten houden tussen wat de kerk moet DOEN en moet ZIJN.
In mijn optiek is de kerk in eerste instantie de verzameling van gelovigen, het lichaam van Christus op aarde, en de eerste uitdaging is denk ik hoe dat vorm te geven in deze tijd. Het feit dat er een kerk is, is al onderscheidend in zichzelf. Maar we moeten ons wel realiseren dat de tijden veranderd zijn en om andere vormen vragen. Zoals Kennedy bijv zei, de alfa cursus is een groot succes, maar dat wil niet zeggen dat mensen zich gelijk thuis voelen in een kerk, ondanks het pletora aan smaken en vormen dat al in NL beschikbaar is….Dus ik zou zeggen zorg er als kerk (organisatie) eerst voor dat je die gemeenschap van gelovigen op orde krijgt en houdt anno 2011, ieder op zijn manier en binnen zijn traditie.
Vervolgens heeft dan dat navolgen van Christus ook zijn externe effecten op de samenleving. Hoe dat precies gebeurt is denk ik ondergeschikt aan het feit dat het gebeurt. De rol van de kerk zou zich denk ik moeten concentreren op het oproepen en ondersteunen van de gelovigen om ook maatschappelijk actief te zijn.
Het is dan denk ik aan de gelovigen en de omstandigheden hoe best dat vorm te geven, dat kan in NL vaak via christelijke politieke partijen of organisaties, in andere landen (UK, USA) zonder de zuilen traditie, gaat dat vaak via ‘algemene’ politiek partijen of andere maatschappelijke organisaties.
Een mooie kant van het feit dat we een christelijke minderheid geworden zijn, is denk ik dat we ons zijn gaan realiseren dat we veel meer zaken samen moeten doen, en ontdekken dat we dat dan ook kunnnen (bijv Passion in Gouda, Taize aan de Maas). Laten we vooral doorgaan op de weg.
@Alex, denk dat je spijker op de kop slaat.: gegeven de demografische ontwikkelingen komt er gewoon meer bij de burger terecht, de uitdaging is inderdaad hoe dat vorm te geven!
@Alex: Ik kan me in grote lijnen vinden in je commentaar. Verder is Augustinus een van de ‘kerkvaders’ waarmee Ad de Bruijne probeert om neocalvino’s ontvankelijk te maken voor geluiden die ‘dopers’ lijken, maar – zowaar – bijbels zijn. Dat evangelischen niet allemaal en niet alleen uit dopers water putten, is mij duidelijk. Ik ben ook blij met je vermoeden dat waar ‘statuur’ toeneemt, de allergie van (OK, OK) SOMMIGE evangelischen voor ‘traditionele’ belijdenissen afneemt. Daar ging het mij om. Ik voel mij tenslotte ook nog eens biografisch verwant met allerlei evangelischen: in eerste instantie Watchman Nee, vervolgens de nogal gereformeerde evangelical Schaeffer, en ook de spitsen Stott en Packer hebben mij nogal gevormd. Juist onderlinge vooroordelen breken ook de politieke slagkracht van christenen, dus ik help graag mee deze te bestrijden. Samenwerking – graag!
@Rolf: Zie @Alex. Met de herijking via o.a. Augustinus is het WI al druk bezig. O.a. in de DenkWijzer van deze maand. Zie http://bit.ly/u0PyXB !
@wilhelm: De stromingen-discussie is inderdaad hier een zijspoor. Het Nova Zembla-stuk zelf ging over de verhouding Gods Rijk/aardse rijken en de gevolgen daarvan voor de inzet van christenen in kerk, samenleving en politiek. De 2 kernvragen van Alex hebben daar alles mee te maken: vooral de eerste (visie op religie versus overheid), maar ook de tweede (de visie op de rol van overheid en samenleving in het bevorderen van sociale gerechtigheid). Maakt het evangelie van Kerst voor deze visies verschil? Zo ja, welk? En is dat in de (westerse) geschiedenis zichtbaar geworden? Zo ja, hoe?
Bedankt voor je reactie, Rob. Benieuwd naar het vervolg!
Rob vat de kritiek van De Bruijne op de ‘neo-calvinistische’ politieke visie zo samen:
“de kerk is voor de Bruijne ook meer dan slechts een van de sectoren van de samenleving (377): de kerk is immers de ‘bevolking-in-wording’ voor de ‘samenleving van de toekomst’ (376). Beide punten benadrukken het anders-zijn van de kerk – in een samenleving die hoort bij de ‘oude aeon’, een oude wereld die ‘onontkoombaar in de verkeerde richting’ beweegt (389). De derde angel bestaat uit vier ‘anabaptistische’ weerhaakjes, waarmee De Bruijne de (neo-)calvinistische politieke traditie wil prikkelen om een meer bijbelse bedding te volgen: (a) Gods Rijk is politiek van karakter, het relativeert bestaande aardse machten; (b) tegelijk is het alleen in de hemel realiteit, hier op aarde iets van de toekomst; (c) de kerk ‘hoort’ als enige samenlevingsverband bij die toekomst; (d) maar op de weg naar die toekomst is het gebruik van machtsmiddelen niet legitiem.”
In reactie daarop wil ik het volgende stellen:
– De tegenstelling tussen de ‘aeonen’ – deze en de toekomstige – is niet zo groot als hier wordt voorgesteld. De eenheid ligt in Christus en zijn koningschap.
– Christus is nu al koning, heeft alle macht ook op aarde. Matteüs 28, Efeze 1, Kolossenzen 1.
– Christus’ macht hoeft niet per se in spanning te staan met aardse machten. Deze kunnen zich ook aan zijn macht onderwerpen.
– Niet alleen de kerk, maar ook de geschapen werkelijkheid zal verlost worden en ziet daarnaar uit, Romeinen 8. De kerk is geen eiland in de wereld.
– 1 Petrus dringt er bij ons op aan om goed te doen. Die brief is geschreven in een tijd dat christenen geen macht hadden. Die is blijven gelden toen ze die wel hadden, en geldt nu nog/ weer.
– Macht is als zodanig niet vies. Er zijn vele soorten macht. Christenen kunnen in veel gevallen hun macht gebruiken om goed te doen.
– Dat kan vrucht afwerpen, ook in deze tijdelijke wereld. Deze wereld zal ondergaan, maar God heeft er nog een plan mee van verlossing van mensen en schepping. Dat is in het verleden zo geweest, dat is niet voorgoed voorbij. Daarom is er hoop voor de wereld.
Breder op mijn blog: http://www.piethoutman.net/blog/commentaar/de-heer-van-de-machten-dienen#QDanGxoql-hgxh8glogfsw
Ik ben benieuwd naar het promotieproject over Augustinus, maar zijn ‘tweerijkenleer’ biedt denk ik ten enen male onvoldoende uitgangspunten voor een christelijke politieke theorie. Wel als je er van tevoren van overtuigd bent dat er voor deze wereld geen hoop is; maar daar denk ik dus anders over.
@Piet Houtman: Dank. Boeiend. Met alle gedachtenstreepjes ben ik het ook eens. En toch raakte ik – nota bene in Kenia! – erg onder de indruk toen ik Lesslie Newbigin las: hij beschreef hoe met de opstanding van Jezus Christus een nieuwe aeon als het ware over de oude heen schoof. Een tegenstelling tussen schepping en Koninkrijk willen Ad de Br. noch ik. Van belang lijkt me hier intussen het verschil tussen kerk en heel de wereld. Dat verschil ligt onder andere in de vraag of Jezus als Heer erkend wordt, en in de warme verbondenheid in zijn regeren van zijn Lichaam ten opzichte van de omringende wereld (die Hij regeert ter wille van dit Lichaam; Efez. 1:12-12). Kuyper’s ‘geen duimbreed waarvan Christus niet zegt: Mijn’ onderschrijf ik, maar deze slogan laat het verschil tussen kerk en wereld onbenoemd. Ik bekijk je blog nog.
Hmm, ik zie dat mijn reactie (waarnaar een aantal andere reacties teruggrijpen) verwijderd is. Foutje?
@Alex: geef ik door aan de Opunie-beheerder. Lijkt me geen bewuste actie!
Foutje inderdaad! Ik heb er laatst zo’n 150 spam berichten uit gegooid, en jouw bericht is daar per abuis tussen gekomen. Hij staat er weer
Rob, Helemaal eens met het accent op de unieke, warme band tussen Christus en zijn lichaam. Dat is er ook duidelijk in Kolossenzen 1. Als die unieke band veronachtzaamd mocht zijn in de tijd dat staten en naties christelijk waren of geacht werden te zijn, moet dat zeker gecorrigeerd worden. Ik denk niet dat je Kuyper ervan kunt verdenken de kerk als lichaam van Christus ondergewaardeerd te hebben, ook al kun je bedenkingen hebben tegen sommige aspecten van zijn kerkleer.
Waar we voor op moeten passen m.i. is, de kerk, met haar band aan Christus en relatie tot de komende aeon, te veel als een eiland in deze wereld te gaan zien, of een olievlek die op de golven blijft drijven. Dat is het gevaar van de doperse visie, die op de achtergrond aanwezig is in moderne betogen over de kerk als tegen-gemeenschap. In dit verband vind ik het spreken over het ‘over elkaar schuiven van aeonen’ wat retorisch (mee daardoor is het natuurlijk wel boeiend). De kerk is voluit in deze wereld, bijvoorbeeld als de vrouw van Openbaring 12 die naar aardse begrippen weerloos is tegenover het beest, en als de twee getuigen van Openbaring 11 in het hartje van de grote stad. Goed, dit accent vind je verder wel op mijn blog.
@Piet Houtman: In feite zoeken we ‘as usual’ naar een verwoording van het WEL IN (tegenover eiland/olievlek) en NIET VAN ‘de wereld’ (in oorsprong), de verhouding hier van continuïteit (met de schepping) en discontinuïteit (ten opzichte van het kwaad – maar ook ten opzichte van een niet volgroeide schepping). Met de ‘over elkaar schuivende aeonen’ wil Newbigin m.i. het belang van de opstanding van Jezus benadrukken MIDDEN in de oude aeon, als inbraak van de Nieuwe Aeon en begin van het einde, om de Nieuwe Aeon dus niet alleen NA deze ‘oude aeon’ te plaatsen. Dus wel inbraak, injecties, interventie; niet een onverbonden schuiven, inderdaad, en er blijft m.i. meer achter dan een ‘negatief’ schroeigat na een “Barthiaanse bliksem”. Al kan geen mens iets intact houden hier. Enz.
10:28 : Volgens mij heb je best een bodneiee baan daar bij Traffic4U, of niet? Ik blijf je blog zeker volgen iig, ik vind GA en z’n features bere-interessant iig -4