In Nederland leven we in de bijzonder gezegende omstandigheid deel uit te maken van een democratie. En dan wel een volksvertegenwoordigende democratie. Met vrije verkiezingen en met vrije keuzen. Dat dit niet over heel de wereld zo vanzelfsprekend is, mag de afgelopen dagen voor een ieder wel duidelijk zijn geworden.
Normaliter kiezen we in Nederland eens per vier jaar onze vertegenwoordiger in de Tweede Kamer. Deze persoon vertrouwen wij toe onze belangen voor de komende vier jaar naar overtuiging en tevredenheid te behartigen. Zonder last en zonder noodzakelijke ruggespraak. Wat een vertrouwen is dat, als je er goed over nadenkt. Iemand mag dus, hopelijk in een breder fractieverband, vier jaar lang voor jou beslissen wat goed is voor jou en je medeburgers. Dat vertrouwen schenken wij als burger aan de hand van verkiezingsprogramma’s, vertrouwenwekkendheid van de persoon of soms gewoon vanwege iemands lekker kontje……oftewel, iedere burger heeft zo zijn eigen overweging om zijn vertegenwoordiger te kiezen.
En dat gaat goed – inderdaad – zo lang het goed gaat. Want anders dan een dikke generatie of twee geleden hebben de meeste burgers tegenwoordig overal te allen tijde een luidkeelse mening over, vaak gebaseerd op een minimale hoeveelheid feitelijke informatie. En of die mening op woensdag anders is dan deze op maandag was, het maakt niemand wat uit.
Maar als volksvertegenwoordiger wordt er van je verwacht dat je een consequente lijn vasthoudt (en dan niet de lijn van: ik wissel per week van mening..). Een lijn die gebaseerd is op een partijprogramma, op eerdere beslissingen, maar zeker ook op persoonlijke verantwoordelijkheid. En dan kom je soms voor grote dilemma’s te staan. Want als volksvertegenwoordiger zit je niet meer alleen voor Jantje of voor Pietje die jou gekozen heeft, maar word je ook geacht de grote lijn van ’s Landsbelang in het oog te houden. Dus lees je je in, en zoek je bergen informatie. Ga je gesprekken aan binnen en buiten je achterban, kijk je naar deskundigen en probeer je voor jezelf tot een conclusie te komen. Gebaseerd op meer dan alleen een onderbuikgevoel.
Alleen, door je informatievoorsprong, door je blik gericht op het algemeen belang, door je partijlijn kun je soms wel eens een andere beslissing nemen dan jouw Jantje of Pietje. En wat dan? Eerlijk gevraagd: wat dan? Is het niet zo dat de volksvertegenwoordiger zonder last en noodzakelijke ruggespraak zijn werk moet en kan uitvoeren? Precies, zo is het ook, dat is het systeem waar we allen lang geleden voor hebben gekozen. Dus als jouw volksvertegenwoordiger anders beslist dan jij op dat moment wilt, dan kun je dat bij een volgende verkiezing kenbaar maken. Is dan alles wat een volksvertegenwoordiger beslist altijd maar goed? Nee, vast niet, voor zover je objectief zou kunnen vaststellen wat ‘goed’ dan wel inhoudt. Maar zijn beslissingen zijn in ieder geval weloverwogen en in het licht van de partijlijn genomen.
De kracht van ons democratische systeem zit juist in die volksvertegenwoordigers die hun eigen afweging maken zonder dat zij heen en weer geslingerd worden tussen de gemengde gevoelens van hen die zij vertegenwoordigen! Dat zij tussentijd naar hun stemmers luisteren is uiteraard een pre, laten volksvertegenwoordigers alsjeblieft de feeling met de achterban niet kwijtraken. Maar feit blijft dat wij als burgers mensen kiezen die wij capabel genoeg achten ons eigen en het algemeen belang op een intelligente en integere manier te dienen!
© foto Jackie Kever




Leuk stuk, eigenlijk een soort reminder aan de achterban, hoe ons parlementair systeem in elkaar zit. Door oprukkende populistische en radicaal-democratische ideeën zijn we dat een beetje vergeten. Dat begon met de Boerenpartij (die “Den Haag” chronisch wantrouwde) en D66 (die datzelfde idee van wantrouwen legitimeerde, maar dan met een positieve boodschap, namelijk het willen slechten van de kloof tussen burger en politiek).
Eén generatie vertraagd treedt nu bij de ChristenUnie hetzelfde op – zoals trouwens de meeste maatschappelijke veranderingen met enige vertraging in orthodox-christelijke kringen doordringen. Het idee dat je, zoals in de tijden van Jongeling en Colijn het geval was, je lot in de handen van een politiek leider legt, een persoon die je vertrouwen heeft, is compleet verdwenen. In plaats daarvan is de politieke top van de ChristenUnie nu voor veel mensen een “elite” die ver van het volk staat en die vooral wantrouwend moet worden bejegend.
In feite is dat niks anders dan “wereldgelijkvormigheid”, om het eens met een voor protestanten krachtige term te zeggen. Wat D66 en de Boerenpartij hebben gezaaid, en wat de PVV nu oogst, heeft ook een deel van de CU-achterban besmet. Men is ten diepste anti-autoritair geworden. Interessante ontwikkeling natuurlijk, want geeft aan dat je je als partij (RPF, GPV), school (EH), krant (ND, RD) of omroep (EO) wel kunt verzetten tegen de tijdgeest, maar er is geen houden aan. Vroeg of laat moet je eraan geloven.
Sandra schets inderdaad het ideaalplaatje, maar vanuit de dagelijkse praktijk kan ik een licht gevoel van cynisme niet onderdrukken als ik kijk naar het opereren van bv PvdA in het Kunduz-debat en de steeds wisselende opvattingen van de PVV. consequent gedrag doet bij de kiezers kennelijk niet langer ter zake en dus ook niet langer bij veel politici. ik hoop dat de ChristenUnie het wel aandurft om tegen de tijdgeest in te roeien, zelfs als dat stemmen kost.
Het plaatje van Sandra is het correcte formele plaatje. Zo zou het idealiter volgens de regels moeten gaan. Je hoeft echter geen Joris Luyendijk te hebben gelezen om te weten dat het zo niet gaat. Ik denk dat we nog te weinig echt de balans voor onszelf durven op te maken hoezeer parlementaire norm en politieke praktijk uit elkaar zijn gaan lopen. Ik denk dat we juist nodig op zoek moeten naar aanvullende middelen in ons democratisch systeem om de burger nog enigszins het gevoel te geven dat de democratie ook echt van hem is. Het cynisme bestrijd je niet door iemand te verwijten dat hij cynisch is.
Een ander aardig punt betreft de veronderstelde informatievoorsprong van TK leden. Afgezien van het feit dat dankzij allerlei moderne media ieder zijn eigen informatiebeeld kan opbouwen (en dat zorgt m.i. voor een wezenlijk verschil met vroeger) denk ik juist dat kamerleden veel cruciale informatie juist missen, hetzij door (on)bewuste ambtelijke rookgordijnen, hetzij door onvoldoende kennis van ontwikkelingen in de samenleving en de markt.
Wij leven niet in een democratie, maar in een regentendictatuur.
Het huidige systeem is niet iets “waar we allen lang geleden voor hebben gekozen”. De burgers hebben over dit systeem nimmer iets te zeggen gehad.
Het enige nut van volksvertegenwoordigers was altijd een praktisch nut, omdat het logistiek en organisatorisch niet te doen was om alle stemgerechtigden voor alle belangrijke beslissingen te horen. De enig juiste wijze waarop een volksvertegenwoordiger zijn werk doet is nu juist wèl met last en, zo nodig ruggespraak. Hij zit daar om namens een grote groep kiezers te stemmen over belangrijke beslissingen. Hij is slechts dan een volksvertegenwoordiger als hij zodanig stemt als hij die kiezers heeft beloofd te zullen doen. Het behoeft, denk ik, geen betoog, dat onze zogenaamde volksvertegenwoordigers bepaald niet aan dit profiel voldoen. Zij zitten daar, zonder last van een ruggegraat, voor hun eigen belang en het partijbelang. Er worden beslissingen genomen waarmee zij instemmen, die niet in overeenstemming zijn met hetgeen een meerderheid van de NL burgers wil. Maar in een democratie is er maar één soevereine macht en dat zijn de burgers gezamenlijk. Niet een volksvertegenwoordiger. En al helemaal niet een minister. Die hebben slechts te doen wat hun gezegd wordt.
Inmiddels zijn volksvertegenwoordigers overbodig geworden door de technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van ICT. Hoe sneller we naar een directe democratie gaan, hoe beter.