Europa heeft gemeenschappelijke waarden, maar alles staat of valt met de manier waarop deze worden ingevuld. Dit is afhankelijk van het gehanteerde mensbeeld. Het dominante, individualistische mensbeeld leidt tot een toewijding aan collectieve krachten, die de mens beheersen en een homogeniserende uitwerking hebben.
Empirisch gezien is het bestaan van een specifieke set van Europese waarden moeilijk te verdedigen. Zo blijkt uit de ‘European Values Study’ van 1999/2000 dat bijna alle Europeanen democratie, vrijheid, gelijkheid, menselijke waardigheid en solidariteit onderschrijven, maar de Europese eenheid als het gaat om waarden is er vooral een in verscheidenheid, die te maken heeft met economische, culturele, religieuze en politieke verschillen tussen de Europese samenlevingen.
In theorie komt uit de verschillende levensbeschouwelijk tradities die ten grondslag liggen aan de Europese cultuur wel een aantal gemeenschappelijke waarden naar voren. Deze lichtten al op uit mijn vorige blog over de bijdrage van het christendom. Hoewel de benaming kan verschillen, gaat het om vrijheid, gelijk(waardig)heid, gerechtigheid, gemeenschap en diversiteit.
Europa is zichzelf, vooral na de Tweede Wereldoorlog, in toenemende mate gaan zien en definiëren als een ‘waardengemeenschap’, waarbij deze vijf waarden terugkeren. In de context van de EU vinden we ze terug in het Verdrag van Lissabon en het Handvest van de Grondrechten.
Papier zegt alleen niet zo veel. Belangrijker is de vraag hoe deze waarden worden ingevuld en in praktijk gebracht. De verschillende tradities delen grotendeels dezelfde waarden, maar vullen deze verschillend in. Dit is afhankelijk van het gehanteerde mensbeeld.
Het moderne, individualistische mensbeeld ziet de mens als een autonoom wezen, dat zichzelf tot ontplooiing brengt vanuit een in principe onbegrensde vrijheid en met behulp van alle hem ter beschikking staande vermogens en mogelijkheden, en (daarvoor) God en anderen niet nodig heeft. Deze levensvisie kwam op vanuit het Humanisme, maar toen ging men nog uit van God als transcendente autoriteit en bestemming. Tijdens de Verlichting en in de nasleep daarvan werd het geloof in God vervangen door het geloof in de rede en groeide het verzet tegen externe autoriteit (‘Ni Dieu ni maître’). Dit proces duurt eigenlijk voort tot op de dag van vandaag.
Hierbij heeft de Romantiek ook een belangrijke rol gespeeld, met haar nadruk op authenticiteit, zelfexpressie en het vormgeven van het eigen leven als een kunstwerk. De mens is nu zijn eigen schepper geworden. Dit romantische gedachtegoed ligt in wezen in het verlengde van het Verlichtingsdenken en kreeg breder ingang vanaf het eind van de jaren ’60 van de vorige eeuw.
Het verzet tegen externe autoriteit betekende niet dat de mens zijn leven voortaan vormgaf zonder autoriteit. Deze vond hij echter in zichzelf en, paradoxaal genoeg, buiten zichzelf, maar dan wel in de natuurlijke wereld. Enerzijds werd de mens zichzelf tot norm. In uiterste vorm doorgevoerd, zoals binnen de postmoderniteit, leidt dit tot subjectivisme en relativisme, die in feite een uitvloeisel zijn van de Romantiek. De mens is nu zelf de schepper van goed en kwaad.
Anderzijds blijft de mens zoeken naar iets dat groter is dan zichzelf en waar hij zijn identiteit in kan vinden. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in een focus op materie en consumptie (economisme), een streven naar beheersing met behulp van wetenschap en techniek (rationalisme en technicisme) en een utopische gerichtheid op zelfontplooiing en – onvermoeibaar! – een maakbare samenleving (utopisme).
Het individualistische mensbeeld leidt zodoende, paradoxaal genoeg, tot een toewijding aan allerlei collectieve krachten. In plaats van zich over te geven aan een transcendente, persoonlijke God levert de mens zich uit aan immanente en onpersoonlijke autoriteiten, die hem echter beheersen en een homogeniserende uitwerking hebben. Hier is sprake van een beheersingsparadox: het rationeel-instrumentele streven van de moderne mens naar beheersing heeft tot gevolg dat de mens zelf wordt beheerst, met name door het economisme. Je zou kunnen stellen dat het moderniteitsproject zodoende aan zijn eigen succes ten onder gaat.
We zien dit ook terug bij het proces van globalisering en Europese integratie. De economische insteek die aan het begin is gekozen omwille van verzoening tussen tot dan toe strijdende staten heeft steeds meer de overhand gekregen. Het Europese integratieproces is bij uitstek een rationeel-instrumenteel beheersingsproject, maar vanwege zogeheten spill-over effecten en haar ‘eigen dynamiek’ worden de lidstaten in feite zelf beheerst, vooral door het economisme. Hieraan gerelateerd is het (bewust) openhouden van het einddoel van het integratieproces. In de praktijk leidt Europese integratie – zoals het woord al doet vermoeden – aldus tot meer uniformering en staat de voor Europa zo kenmerkende diversiteit onder druk.



