Democratie is niet afhankelijk van de rechtsstaat

Harinck
7.06.2010 |

Job Cohen geldt voor mij als de meest aansprekende politieke leider in deze editie van de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen. Hij kende zijn cijfertjes niet allemaal, maar er is gelukkig meer dan economie. Hij slaagde er niet steeds goed in zijn ergernis te verbergen, maar dat lukt mij in de woonkamer ook niet en dus is hij heel herkenbaar.

Ik heb minder met de politieke leiders die tegen hun schenen geschopt worden en geen ‘au’ zeggen. De campagne is nog niet ten einde, maar de qua inhoud en emotie beste stellingname vond ik die van Cohen in het zogenaamde premiersdebat bij RTL op 23 mei.

Dominee Cohen stond in dat debat tegenover imam Wilders, die Cohen verweet te soft te zijn in alles, ook inzake criminaliteit. Daarop reageerde Cohen met een prachtige, haast ontsporende heftigheid: ‘Er zijn allerlei soorten criminaliteit, en ik vind dat je criminaliteit moet aanpakken. Maar wat u doet is bepaalde mensen, en met name mensen van het islamitisch geloof, over een kam scheren. En dat is precies wat mijn grote bezwaar is tegen u en wat zo gevaarlijk is voor onze samenleving. U kijkt niet of mensen over de schreef gaan, u kijkt naar wat hun geloof is. En dat is waar ik het grootst mogelijke bezwaar tegen heb, en waarvan ik vind dat u dat nooit, nooit, nooit mag doen.’

Eind mei deed Cohen daar nog een schepje bovenop, door te stellen dat Wilders een bedreiging vormt voor de rechtsstaat. De rechtsstaat is nog wat anders dan de samenleving. Met het eerste bedoelen we de spelregels, met het tweede het spel. Wilders speelt dus niet alleen vals, hij is volgens Cohen ook van plan de regels zo te veranderen dat dit niet meer vals heet, maar eerlijk. Wilders gaat dus volgens Cohen doen, wat Wilders de islam verwijt: eerst onze samenleving afbreken en nadat de democratie om zeep is geholpen dit opbouw noemen. Dat Wilders de facto als een radicale imam opereert zal al wel vaker opgemerkt zijn, maar ik wil het nu over de protestantse trekjes van Cohen hebben. Christenen hebben het er geregeld over – verontrust of berustend – dat de hen omringende cultuur zoveel (negatieve) invloed heeft op hun levensstijl en attitude. Dat zal waar zijn. Maar ze hebben het zelden over het feit dat er net zo goed een omgekeerde (positieve) invloed is. Het christendom oefende en oefent een sterke invloed uit op de levensstijl van Nederlanders.

Het is jammer dat die invloed wat onderbelicht blijft. Mijn VWO-5-zoon liet pas zijn geschiedenisboek zien: daarin stond een rijtje namen van mensen die vormende invloed hadden geoefend op onze democratie: voor de 19e eeuw stonden daarop: J.R. Thorbecke en Aletta Jacobs. Prachtig. Maar wie ontbrak was Abraham Kuyper. Hij was de man die onze democratie pluraal heeft gemaakt door het fenomeen van de moderne politieke partij te introduceren – waar Thorbecke tegen was. Door die partijen werd het volk veel directer bij de politiek betrokken, zodat Aletta Jacobs de weg werd gebaand om haar pleidooi voor de politieke betrokkenheid van de vrouw te voeren. En Abraham Kuyper deed dit niet alleen, hij gaf ook nog een in het christelijk geloof rustende argumentatie voor deze democratisering en pluralisering. Met name het belang van pluralisering werd pas na Kuyper door de liberalen en de sociaal-democraten onderkend. Deze twee verworvenheden zijn ook vandaag nog onderdelen van onze democratie waar we trots op zijn.

Een resonantie van Kuypers pleidooi voor pluraliteit in het publieke domein vinden we terug bij Job Cohen. In NRC Weekblad van 3-9 april jl. stelde hij desgevraagd ‘dat Nederland een land is van minderheden, altijd al geweest: katholieken, protestanten, duizenden groepen protestanten zelfs, joden, liberalen, socialisten. Op de een of andere manier moeten die minderheden het goed met elkaar organiseren. Onze identiteit is paradoxaal genoeg, dat we altijd veel ruimte hebben gegeven aan andersdenkenden. En wat houdt al die groepen dan bij elkaar? De grenzen van de rechtsstaat. Ik weet dat dat een dunne juridische lijn is, maar er zit veel in.’

Job is een beetje te zonnig als hij het doet voorkomen alsof wij in Nederland altijd al ruimte hebben gegeven aan andersdenkenden. Maar een feit is dat Nederland zich met vallen en opstaan een omgangsoecumene had eigen gemaakt, waardoor het voor minderheidsgroepen soms beter toeven was in de Nederlandse Republiek dan elders in Europa. Maar feit was evenzeer dat de ene groep meer gelijk was dan de andere. Het publieke domein was steeds in handen van één dominerende minderheidsgroep: de gereformeerden in de Republiek, de liberalen in de dagen van Thorbecke. Het vernieuwende van Kuypers succesvolle pleidooi betrof de gelijkwaardigheid van alle minderheidsgroepen in het publieke domein. En dat is de pluraliteit die Cohen hier in de geest van Abraham bepleit.

Met een klein verschil. Cohen bracht niet toevallig de rechtsstaat in stelling tegen Wilders. Uit het citaat en ook uit zijn aangescherpte verwijt aan Wilders blijkt dat de rechtsstaat voor Cohen een cruciale rol vervult als het om onze plurale samenleving gaat. Wat de uiteenlopende richtingen en groeperingen in onze samenleving bijeen houdt is volgens hem de rechtsstaat. Hij erkent dat het een dun draadje is dat de boel bij elkaar houdt, maar iets anders is er niet, zo lijkt Cohen te zeggen.

Als Cohen dus van Wilders zegt dat hij de rechtsstaat bedreigt is dat uit zijn mond de zwaarst denkbare politieke beschuldiging. Het enige dat ons bij elkaar houdt mag niet in zijn handen vallen, want dan valt de boel uit elkaar. Wilders is de reden dat Cohen leider werd van de PvdA.

Kuyper zou zijn soelaas nooit hebben gezocht bij de rechtsstaat. Zijn geestverwant after all, , Kamerlid en minister De Savornin Lohman, betoogde meer dan een eeuw geleden al, dat het recht veranderlijk is en de uitdrukking vormt van de overtuigingen die onder het vol leven. Je kunt die bewegelijkheid van het recht vandaag zien in de afgelopen jaren opgelopen strafmaat voor misdrijven, en een eeuw geleden in de pluralisering van het publieke domein onder invloed van de politiek georganiseerde protestanten (bijv. de Onderwijswet van het kabinet-Mackay, die de financiering van bijzondere scholen uit publieke middelen introduceerde).

Cohen doet daarentegen alsof de rechtsstaat een statisch gegeven is. Wilders wil de rechtsstaat niet afschaffen, maar ombuigen – hij is de eerste niet. Het recht en ook de grondrechten zijn aan onze stemmingen en meningen onderhevig. Of dacht u dat het gelijkheidsbeginsel al sinds 1848 in onze grondwet stond? De antirevolutionairen verankerden daarom de Nederlandse pluraliteit niet in de rechtsstaat, maar in de motor van deze bewegelijkheid van het recht: in de overtuigingen van het volk. De kwaliteit van onze democratie is uiteindelijk niet afhankelijk van de rechtsstaat, maar van de kwaliteit van de onder ons volk leven overtuigingen. Het recht houdt niets bij elkaar; dat kan alleen de overtuiging doen. Die kwaliteit van de overtuigingen moet dus verzorgd worden, en dat is niet een taak van de politiek alleen, maar van ons allemaal. Niet het recht, maar de overtuiging verovert harten en is daarom beslissend voor het karakter van onze samenleving. Daarom was ik blij met Cohens hartenkreet ‘nooit, nooit, nooit’ tegen Wilders en was ik bereid om in Cohen eventjes een proto-kuyperiaan te zien. Ik was even een zwevende kiezer.

George Harinck
Hoogleraar geschiedenis aan de Vrije Universiteit & TU Kampen

gerelateerd

   Geen gerelateerde artikelen gevonden

BESTGELEZEN