De afgelopen tijd vielen de woorden ‘behoorlijk bestuur’ regelmatig. Dat is logisch, gezien de verkiezingen voor de Provinciale Staten vorige week, die indirect leiden tot de samenstelling van de Eerste Kamer. De Eerste Kamer is het instituut dat zich onder andere bezig houdt met de toetsing van nieuwe wet- en regelgeving aan de ‘algemene beginselen van behoorlijk bestuur’. Nu de verkiezingen voorbij zijn wordt de vraag relevant hoe de Eerste Kamer duidelijk gaat maken wat ze precies doet. Ik denk dat het, zeker in de samenstelling die de Kamer waarschijnlijk krijgt, van belang is heel goed uit te leggen waarom behoorlijk bestuur zo belangrijk is.
Naar aanleiding van verschillende bezuinigingsplannen die het kabinet presenteerde werd het kabinet verweten te weinig rekening te houden met de beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beginselen zijn de gedragsregels voor de overheid. Een overheid die zich eraan houdt gaat eerlijk en zorgvuldig met haar burgers om. Afgelopen tijd werd geregeld de vraag gesteld of de huidige regering zich wel aan deze beginselen houdt. Het duidelijkste voorbeeld is de invoering van een boete voor studenten die te ver uitlopen met hun studie. Door deze boete ook te laten gelden voor studenten die al begonnen zijn met studeren, wordt geen recht gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. Nog los van wat je van de boete in het algemeen vindt: studenten die voor het aantreden van dit kabinet besloten uit te lopen met hun studie (om welke reden ook), konden van tevoren niet weten dat ze hiervoor beboet zouden worden. En bij de bezuinigingen op de ontwikkelingssamenwerking is de vraag terecht of de overheid zich wel aan het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehouden. Veel organisaties die zich bezighouden met ontwikkelingssamenwerking wisten pas heel laat hoeveel geld er beschikbaar zou zijn. Dat staat een zorgvuldige omgang met partnerorganisaties in ontwikkelingslanden in de weg.
De rol van de Eerste Kamer is onder andere om wetgeving te toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ik vraag me af hoeveel draagvlak er in Nederland nog is voor ‘behoorlijk bestuur’. Electorale winst lijkt vooral weggelegd voor politici die zich opwerpen als ‘daadkrachtig bestuurder’. Er is natuurlijk niet perse een tegenstelling tussen daadkrachtig en behoorlijk bestuur, maar vanzelfsprekend samen gaan ze ook niet. Men kan in elk geval concluderen dat het kabinet zich de afgelopen tijd heeft willen presenteren als daadkrachtig bestuur, en dat het daarbij in enkele gevallen het behoorlijke bestuur op een tweede plaats heeft gezet.
Het is aan de Eerste Kamer om in deze situatie haar werk te doen. Veel niet-coalitiepartijen stelden van plan te zijn het de regering ‘moeilijk te maken’. Daar is voldoende reden toe, maar laat het daarbij wel gaan om de kwaliteit van wetgeving. Zodra de Eerste Kamer te zeer een politieke rol aanneemt is het risico groot dat ze haar geloofwaardigheid als kwaliteitsbewaker verliest. Het verwijt dat de Senaat eenzelfde politieke arena is als de Tweede Kamer, is dan snel gemaakt.
Als de coalitie geen meerderheid in de Senaat behaalt, krijgt de Eerste Kamer een rol die meer op de voorgrond is. Daadkrachtig gepresenteerde wetgeving zal nu en dan struikelen over de beginselen van behoorlijk bestuur. Het lijkt mij heel belangrijk dat door de Eerste Kamer duidelijk wordt uitgelegd dat het af en toe terugfluiten van al te daadkrachtige bestuurders geen politiek spel is, maar een zaak van behoorlijk bestuur. De Eerste Kamer zal actief moeten uitleggen en aantonen dat zij niet primair een politieke arena is, maar wél wetgeving tegenhoudt die de burger oneerlijk en onzorgvuldig behandeld. Dat is belangrijk voor het vertrouwen in de politiek, voor behoud van de taakverdeling in politiek Den Haag en voor de kwaliteit van wetgeving. Het is daarom belangrijk dat de Senaat uitlegt dat haar beslissingen niet zozeer politiek zijn, als wel een kwestie van eerlijkheid. Dat vereist actieve communicatie, in de spotlights.
© foto Sebastiaan ter Burg


