De eeuwige terugkeer van het debat over kerk en staat

kerkstaat
16.03.2011 |

Zolang kerk en staat (lees ook: ‘moskee en staat’, ‘synagoge en staat’ et cetera) bestaan, zal er waarschijnlijk discussie zijn over de wijze waarop zij zich tot elkaar moeten verhouden. Nu kan discussie over deze thematiek heel zinnig en zelfs noodzakelijk zijn, maar op de één of andere manier weten de meeste actuele debatten over de verhouding tussen kerk en staat mij maar moeilijk te overtuigen van hun toegevoegde waarde. Meestal gaat het om een herhaling van zetten, waarbij populaire misvattingen ruim baan krijgen en enthousiast naar oplossingen voor non-problemen wordt gezocht. Het debat waarvoor VVD-Kamerlid Hennis-Plasschaert zich gisteren in een interview in De Pers uitsprak, zal hierop geen uitzondering vormen, als het zich tenminste ontwikkelt zoals zij kennelijk voor ogen heeft. In dit stukje voorzie ik de uitspraken van mevrouw Hennis van wat tegengeluid (dat ik daarmee bijdraag aan de ontplooiing van het door haar gewenste debat, neem ik op de koop toe).

Wat voor debat wil mevrouw Hennis precies? Het moet een debat zijn over de scheiding tussen kerk en staat dat in eerste instantie is toegespitst op het dragen van hoofddoekjes in de publieke ruimte, zo begrijp ik uit het interview:

“Het debat: wanneer draag je de hoofddoek? Dat zou ik graag voeren. Een meer beschouwend debat over de scheiding van kerk en staat.”

Hennis’ inzet in dat debat zou zijn dat mensen in officiële functies (zoals baliemedewerkers op het stadhuis) geen hoofddoek zouden mogen dragen. Daarnaast pleit zij in iets vagere bewoordingen voor het overwegen van een hoofddoekverbod op (openbare) scholen en universiteiten voor zowel medewerkers als scholieren en studenten. Omdat voor Hennis alle religies in dezen gelijk zijn, moet het debat behalve over hoofddoekjes ook over andere religieuze symbolen gaan. Keppeltjes en kruisjes zullen als het aan haar ligt dus net zo goed onderhevig worden aan een taboe.

Debatteren staat natuurlijk vrij, maar ik heb grote vraagtekens bij de noodzaak van het debat dat mevrouw Hennis wil, en nog grotere bezwaren tegen haar inzet in dat debat. Gaat er iets vreselijk (of een beetje) mis als we de huidige situatie rustig laten voortbestaan? Waarom is het problematisch als een geboorteaangifte wordt opgenomen of een paspoort wordt verstrekt door een dame met een hoofddoek of heer met keppel? Het is aannemelijk dat de Nederlandse ambtenarij net als de rest van de bevolking in levensbeschouwelijk opzicht een lappendeken is. Waarom moet deze diversiteit zo krampachtig verborgen worden? De overheid wordt daar heus niet minder neutraal door.

Problematischer dan het voorstel ambtenaren symboolvrij te maken, is echter Hennis’ wens om scholen en universiteiten in de discussie te betrekken. In het eerste geval kan het belang van de neutrale overheid nog ingeroepen worden (al leidt dat volgens mij dus niet tot de dwingende conclusie dat er voor religieuze symbolen geen ruimte kan zijn), maar voor een hoofddoekjesverbod voor leraren en leerlingen is werkelijk geen goed argument aan te voeren. Wie heeft er last van studenten met een doekje op het hoofd of een kruisje om de nek? Welk belang zou er precies worden gediend met zo’n zware inbreuk op de vrijheid om volgens de eigen religieuze identiteit te leven en zich te kleden volgens eigen inzichten? Een verbod op het dragen van religieuze symbolen op scholen zou een onliberale staatsingreep in de publieke ruimte betekenen, die niets zou oplossen en alleen maar nieuwe problemen zou scheppen. Hennis’ verwijzing in dit verband naar Frankrijk en Turkije is overtuigend noch bemoedigend. De Franse en Turkse hoofddoekverboden zijn ingebed in etatistische tradities die Nederland (gelukkig) vreemd zijn. De ‘neutraliteit’ van de publieke ruimte wordt daar van bovenaf opgelegd door een dirigistische overheid die de touwtjes van de samenleving strak in handen heeft, althans probeert te hebben, in Turkije vanouds met steun van het leger. Het is mij een raadsel hoe een VVD-er dergelijke landen ten voorbeeld kan stellen.

Dat de traditionele VVD-nadruk op een kleine overheid kennelijk niet zo aan mevrouw Hennis besteed is, blijkt ook iets verderop in het interview. Daar zegt zij:

“We hebben het hier veel over scheiding van kerk en staat, maar de kerk is behoorlijk in de staat getreden. Kijk naar confessionele scholen, de organisatie van de publieke omroep en – gevoelig onderwerp – maar het geldt ook voor ritueel slachten.”

Scholen, de publieke omroep – het behoort volgens mevrouw Hennis allemaal tot de staat. Als confessionele verenigingen (door Hennis gemakshalve en ten onrechte onder het begrip ‘kerk’ geschaard) hun eigen onderwijs willen inrichten, bemoeien zij zich dus met staatszaken. En er blijkt inderdaad een staatsomroep te bestaan, zoals de PVV al enige tijd aannam. De vraag is, of er met zo’n staatsopvatting nog wel een publieke ruimte overblijft die niet van de staat is. En of het vermijden van een botsing tussen kerk en staat met Hennis’ opgeblazen, massieve definities niet heel moeilijk wordt. Van mevrouw Hennis hoeft Nederland niet zo nodig teruggegeven te worden aan de Nederlanders; liever ziet zij de absorptie van Nederland door de staat.

In het kerk-en-staatgedeelte van het interview is nog een opmerkelijke uitspraak te vinden. In reactie op het van christelijke partijen te verwachten (en inmiddels geuite) verwijt dat haar voorstellen de godsdienstvrijheid aantasten, poneert zij de stelling dat het (grondwets)artikel waarin het recht op vrijheid van godsdienst is vervat in feite overbodig is, omdat dat recht ook al in andere artikelen is geregeld. Nu hoor je deze bewering wel vaker, en zij is dan ook niet zozeer opmerkelijk door haar inhoud, als wel door de bedoeling waarmee en de context waarin Hennis haar doet. Wat de bedoeling betreft: de stelling dat godsdienstvrijheid geen apart artikel behoeft omdat het elders afdoende geregeld is, is inherent inadequaat en irrelevant als weerlegging van het verwijt dat de godsdienstvrijheid wordt aangetast. Wat die stelling namelijk zegt, is dat er qua beschermingsniveau niets verandert als het godsdienstvrijheidartikel afgeschaft wordt. Dat betekent, dat als het verwijt dat de godsdienstvrijheid aangetast wordt juist is, het nog steeds juist is als het speciale godsdienstvrijheidartikel wegens overbodigheid afgeschaft zou worden. En als het verwijt onjuist is, is het dat zowel bij handhaving als bij afschaffing van het speciale artikel. De gedachte dat de beweerde overbodigheid van het godsdienstvrijheidartikel invloed heeft op de geldigheid van het verwijt dat de godsdienstvrijheid aangetast wordt, is dus logisch onhoudbaar.

Er zou echter geen sprake zijn geweest van logische onhoudbaarheid (wel van materiële onhoudbaarheid) als mevrouw Hennis niet had gejokt – en daarmee kom ik bij de context van haar bewering. De werkelijkheid is namelijk dat het godsdienstvrijheidartikel niet overbodig is, en dat mevrouw Hennis dat zelf laat zien. Ritueel slachten, dat zij als voorbeeld noemt van het ‘treden’ van de ‘kerk’ in de ‘staat’, is precies zo’n activiteit die wel door het godsdienstvrijheidartikel, en niet door enig ander artikel beschermd wordt.

Ik vermoed dat we daarmee bij een addertje onder Hennis’ gras zijn aangekomen. Een als feitelijk-juridisch oordeel aangeklede bewering blijkt eigenlijk niets meer te bevatten dan een waardeoordeel. Als mevrouw Hennis zegt dat het godsdienstvrijheidartikel overbodig is, omdat de godsdienstvrijheid al in andere artikelen geregeld wordt, bedoelt ze waarschijnlijk niet dat alle aspecten van de godsdienstvrijheid die nu door het speciale artikel beschermd worden, door andere artikelen gedekt worden. Ze is intelligent genoeg om in te zien dat dat onjuist is. Waarschijnlijk bedoelt ze dat de in haar ogen beschermwaardige aspecten van de godsdienstvrijheid al geregeld worden in andere artikelen, en dat zij de aspecten die daarbuiten vallen niet zo belangrijk vindt.

Daar kun je over van mening verschillen, en dat doe ik dan ook (met mevrouw Hennis). Belangrijker is het misschien dat een eventuele discussie over afschaffing van het godsdienstvrijheidartikel totaal niet zinvol is. Het recht op godsdienstvrijheid is tamelijk uitvoerig geregeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarmee in Nederland net zoveel of meer rekening gehouden moet worden als met onze eigen Grondwet. Afschaffing van het Grondwetsartikel dat de godsdienstvrijheid beschermt, zou dus geen effect hebben, en afschaffing van het betreffende EVRM-artikel is – gelukkig – onhaalbaar.

© foto    pim van den heuvel

Willem-Jan Kortleven
Promoveert op ontwikkelingen in de maatschappelijke omgang met risico's

6 reacties

  1. Alex says:

    Geen woord aan toe te voegen! (nou ja, tien dan)

  2. Heb elders al gezegd dat de hoofddoek communiceert “sharia rules”. Dat past niet bij de Nederlandse overheid. Niet alleen rechters e.d. maar ook de uitvoerende diensten van de overheid.

    Vergis u niet in het EVRM. Als de weerstand daartegen maar groot genoeg is, stapt Nederland daaruit. Er zijn diverse voorbeelden van tenenkrommende uitspraken die het EVRM heeft gedaan, die bij “Henk en Ingrid” bepaald niet lekker liggen. Lees: die tarten met het natuurlijke rechtvaardigheidsgevoel.

    Waarom zouden we trouwens ritueel slachten moeten toestaan? Ik geloof niet dat onze God dat nu nog wil.

  3. bird says:

    Prijs je als christen maar gelukkig, wanneer je het moet hebben van een dood document als het EVRM.

    Het schrappen van de godsdienstvrijheid is zeker geen “onhaalbare” kaart. De kruizen zijn ook verdwenen uit de Italiaanse openbare scholen. Geloof is ff niet in de mode en met de Islam als argument kunnen de communisten, liberalen en socialen geloof gaan elimineren uit de overheid.

    Ik geloof in een maatschappij waar iedereen naast elkaar moet kunnen leven, ieder met zijn eigen geloof en ideologie. Tolerantie heet dat. Leven en laten leven.

    En daar gaat het mis. Mensen geven niet de ander de ruimte, maar pakken zelf alle ruimte. Dan blijft er voor anderen weinig over. Dat geldt ook voor gelovigen.

    Een conducteur die een rechtzaak voert omdat hij geen kruis over zijn overhemd mag dragen. (let op: onzichtbaar was geen probleem!) Voor een gemeentelijke instelling een acceptabel argument, maar nee! Hij moest en zou provocatief zijn kruis dragen voor iedereen zichtbaar.

    Geloven doe je voor jezelf en voor god. Niet voor mij! Dus val mij er niet mee lastig. Ik neuk ook geen mannen midden op straat omdat ik homo ben. En op gezette en aangekondigde tijden varen we jaarlijks een keertje door de gracht; een keer per jaar lopen de katholieken hun processie door Amsterdam en de Islamieten rijden een keer per jaar toeterend en in file door de stad. Prima! Ook de vrachtwagentochten voor geestelijk gehandicapten kunnen niet hard toeterend genoeg door de straten rijden (al hebben mensen bij Artis bezwaar gemaakt en denkt Amsterdam aan afschaffen!)

    Maar waarom dat uiterlijk vertoon? Waarom mag ik niet op zondag winkelen? Jullie mogen toch ook naar de kerk, zelfs nog de klokken luiden waardoor ik wakker wordt?

    Ik ben geen voorstander om mensen iets te verbieden, maar als iedereen de ruimte claimt, dan moet er dus als bij kleine kleuters afspraken worden gemaakt!

    Dan zegt een boze moeder: oke!!!! en nu ben ik het beu: jij doet je hoofddoek af en jij je kruisje, jij je keppeltje en jij mag niet meer besneden worden! Klaar!!!!

  4. Willem-Jan Kortleven Willem-Jan Kortleven says:

    @ Alex: prettig!

    @ Clement le Corbeau:

    “[...] de hoofddoek communiceert “sharia rules”.”

    Wat ‘de’ hoofddoek communiceert, hangt in belangrijke mate af van de persoon die de hoofddoek draagt en haar intenties, en kun jij dus niet in zijn algemeenheid vaststellen. Als je het hoofddoekdraagsters vraagt, speelt de sharia doorgaans geen rol, dus je stelling klopt niet.

    Hoewel ik de noodzaak niet zie, vind ik het helemaal niet zo heel gek om een discussie te voeren over het dragen van zichtbare religieuze symbolen door ambtenaren. Mijn insteek zou zijn om daar niet zo krampachtig over te doen, maar als je het zou willen verbieden, zou je dat moeten doen op grond van het neutraliteitsargument (en dan dus niet alleen hoofddoeken verbieden), en niet vanwege de vermeende shariaboodschap die hoofddoeken zouden uitzenden.

    Wat ritueel slachten betreft: als je je eigen geloof in “wat onze God nu nog wil” doorslaggevend wil laten zijn bij de vraag wat toegestaan of verboden moet worden, heb je denk ik niet zoveel van de godsdienstvrijheid begrepen. Ik geloof bijvoorbeeld dat “onze God” de PVV niet wil, maar daarom pleit ik nog niet voor een verbod op die partij.

    Lees over ritueel slachten trouwens een ander stuk van mij (http://opunie.nl/opinie/dierenwelzijn-versus-godsdienstvrijheid).

    @ Clement le Corbeau en Bird:

    Het EVRM is tamelijk levend (veel burgers uit veel landen beroepen zich er met succes op), en Nederland stapt daar nooit van zijn levensdagen uit. Henk en Ingrid mogen blij zijn dat het EVRM bestaat, want het biedt de burger een uitstekend bescherming tegen de overheid. (Ze houden toch niet zo van de overheid, Henk en Ingrid?)
    Overigens zijn de uitspraken van het EHRM vaker in lijn met mijn rechtvaardigheidsgevoel dan dat ze het tarten, maar dat zal wel aan mij liggen.

    @ Bird: ik had het over het schrappen van het concrete artikel in het EVRM dat godsdienstvrijheid beschermt, en het schrappen daarvan is wel degelijk onhaalbaar (hoe het over 200 jaar uitziet weet ik natuurlijk niet, maar ik denk op de iets kortere termijn). Dat neemt inderdaad niet weg dat de godsdienstvrijheid wel uitgehold kan worden en ook lijkt te worden. De kwestie van de kruisbeelden op Italiaanse openbare scholen is echter niet het beste voorbeeld, omdat die daar misschien inderdaad niet thuishoren – het oordeel was dan ook dat juist de aanwezigheid van die kruisen de godsdienstvrijheid schendt.

    Voor de rest neem je het me hopelijk niet kwalijk dat ik je litanie/tirade voor kennisgeving aanneem. Winkel jij maar gerust op zondag hoor, als je moslima’s maar niet het recht ontneemt om een hoofddoekje te dragen, enzovoorts voor de andere religieuze symbolen. Als dat een claim van de openbare ruimte is, is het dragen van een driedelig pak dat ook.

  5. bird says:

    @ Willem-Jan,

    refererend naar de laatste alinia’s van jouw betoog hierboven:
    Het is natuurlijk het makkelijkste om gewoon niet in te gaan op teksten en het stijlmiddel overdrijven/ridiculiseren te gebruiken. Dat zijn de instrumenten die worden gebruikt als de werkelijke discussie door de spreker niet meer met argumenten kan worden gevoerd.

    Ik heb ruimte voor de hoofddoek, 3 delig pak en het keppeltje in de maatschappij. Maar ik constateer dat iedereen alle ruimte pakt en dat verdraagt zich niet met het concept van tollerantie. Dat gaat uit dat de ander de ruimte wordt gegeven.

    Op het moment dat iedereen claimt komt er dus een oplossing die vaak voor iedereen slechter uitvalt dan dat het tollerante concept voorstaat. Daar komen de christenen niet beter weg dan moslims, maar zal dus iedereen onder de categorie geloof van de openbare ruimte worden geveegd.

    Logisch

  6. Gijs says:

    ‘Scholen, de publieke omroep – het behoort volgens mevrouw Hennis allemaal tot de staat.’

    Hennis bedoelt natuurlijk dat scholen, po etc allemaal (mede) worden gefinancierd door de staat.

    ‘De gedachte dat de beweerde overbodigheid van het godsdienstvrijheidartikel invloed heeft op de geldigheid van het verwijt dat de godsdienstvrijheid aangetast wordt, is dus logisch onhoudbaar.’

    Dat doet het ook niet. Je kunt je afvragen of het een gerechtvaardigde inperking van de vrijheid van meningsuiting is. Daar zou de discussie over moeten gaan. Niet of het een gerechtvaardigde inperking van de vrijheid van godsdienst is (die, inderdaad, al wordt gegarandeerd door de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering).

    ‘Ritueel slachten, dat zij als voorbeeld noemt van het ‘treden’ van de ‘kerk’ in de ‘staat’, is precies zo’n activiteit die wel door het godsdienstvrijheidartikel, en niet door enig ander artikel beschermd wordt.’

    Een gevolg van het feit dat aan religie om de een of andere reden als meer wordt erkend dan andere, niet-religieuze meningen. Daar moeten we nu juist vanaf. Het instandhouden van het artikel dat de vrijheid van godsdienst garandeert, houdt de fictie dat aan religieuze meningen meer (of een andere) waarde moet worden gegeven dan aan niet-religieuze meningen overeind.

gerelateerd
BESTGELEZEN