Meer dan tien jaar geleden is in Leiden een klein symposium gehouden, met als inzet de vraag: welke rol is er nog voor de christelijke traditie weggelegd in cultuur en politiek? Sommige sprekers waren van christelijke, andere van onchristelijke huize. De organisatoren verwachtten een vruchtbaar gesprek. De bundel met de uitgegeven voordrachten getuigt nog van dat optimisme. Het voorwoord draagt als motto het zevende vers van Jeremia 29, ‘zoekt de vrede voor de stad en bidt voor haar tot de Heere, want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn’.
Dat was in 1996. En nu ligt dan het boek van Stefan Paas op tafel, dat Vrede stichten heet, en het pleit voert voor een publiek debat over de toekomst van de Nederlandse samenleving, een debat dat gevoerd moet worden tussen mensen van zeer uiteenlopende levensovertuigingen.
Is gesprek mogelijk?
Dat lijkt dus heel veel op wat wij daar in Leiden moesten proberen. We hadden er niet allemaal een even groot vertrouwen in. Zelf heb ik toen in mijn bijdrage herinnerd aan het spreekwoord: pour discuter, il faut être d’accord. Dat Franse gezegde wil ons niet totaal ontmoedigen. De bedoeling is niet dat een zogenaamd geslaagde discussie nooit meer dan een schijndiscussie kan zijn. Maar het waarschuwt ons wel dat voor hoop op succes een zekere mate van overeenstemming over basisbegrippen en feitelijke verhoudingen aan elke gedachtenwisseling vooraf moet gaan. Aan die voorwaarde werd op dat symposium niet voldaan. Welk gesprek kon er mogelijk zijn tussen P.B. Cliteur, die betoogde dat er in het ontkerstende Nederland dringende behoefte bestond aan seculiere zingeving, en J.W. Kirpestein, die ons voorhield dat onze enige kans op redding bestond in het invoeren van de theocratie?
Toch waren er toen ook optimisten. Het meeste trof mij dat bij de Leidse theoloog G.G. de Kruijf. De eerste vraag die we onszelf allen moesten stellen was volgens hem deze: waar halen we een gemeenschappelijk ideaal vandaan. Dat komt aardig dicht in de buurt van Paas. Ook Paas wil dat we met elkaar gaan zoeken naar datgene wat ons verbindt. Hij vindt dat belangrijk, omdat de bewoners van ons land geen gedeelde geschiedenis kennen, en geen samen beleefde religie. Zoek je dan de nationale eenheid in de Nederlandse cultuur of in onze geschiedenis, dan sluit je onherroepelijk mensen uit. Laten we dus samen op zoek gaan naar wat aan allen gemeen is. Maar dan moeten wel inderdaad allen aan het gesprek deelnemen, gelovigen en agnosten, kerkgangers en atheïsten.
Gelovigen en het publieke debat
Paas constateert dat zo’n gesprek thans niet gevoerd wordt. Er loopt wel een discussie over de toekomst van onze samenleving, en dan gaat het dikwijls over de plaats van de religie. Maar gelovigen wordt niet gevraagd mee te delen wat zij daar zelf van vinden. Christenen of moslims zijn nooit te zien in televisieprogramma’s als Nova en Buitenhof, en evenmin hebben ze toegang tot bladen als de Volkskrant en NRC/Handelsblad. Paas ziet daarin een van de redenen waarom sommige moslims radicaliseren. In de pers en op het scherm worden ze telkens aangevallen, maar een weerwoord mogen ze niet geven. Wie zich niet met woorden mag verdedigen, kan zich op den duur gedwongen voelen, zijn toevlucht tot scherpere middelen te nemen.
De liberale meerderheid ziet echter geen aanleiding gelovigen tot het gesprek uit te nodigen. Dat vloeit haast vanzelf voort uit de voorwaarden waaraan ze de deelnemers onderwerpt. Ze mogen gebruik maken van logische en empirische argumenten, maar een beroep op goddelijke openbaring is niet toegestaan. Een geloofsstandpunt heeft immers geen geldigheid voor ongelovigen. Christenen en moslims kunnen zich dus nooit op bijbel of koran beroepen. Willen zij met de liberale elite in discussie gaan, dan moeten zij zich schikken naar de in die kring geaccepteerde regels, ook al zijn die geheel buiten hen om vastgesteld. Hun werkelijke argumenten kunnen ze niet gebruiken, en dat plaatst hen buitenspel.
Paas wil de barrières opruimen die het gesprek belemmeren. Daar is nogal wat voor nodig, misschien zelfs wel zoveel dat zijn voorstel een illusie blijft. Heersende meerderheden zijn meestal niet zo gezeggelijk, ook niet in een democratie. Ze gaan pas luisteren als ze minderheid zijn geworden, en die kans is helaas niet zo groot. Paas is gereformeerd theoloog en pastor. Hem moet dus zowel uit de ervaring als uit de wetenschap bekend zijn dat mensen niet deugen. Hij zal er dan ook wel niet al te vast op rekenen dat de libertijnse élite bereid zal zijn het debat aan te gaan op zijn voorwaarden, die nogal afwijken van dat wat zij zelf altijd voor juist heeft gehouden. Paas verlangt namelijk dat het gesprek op voet van gelijkheid zal worden gevoerd. Ieder mag de argumenten gebruiken die hij plausibel acht, zodat bij voorbeeld de christen wel degelijk zijn bijbel mag openslaan. Het debat moet, zoals Paas het uitdrukt, tweetalig zijn. Het staat ieder vrij zich van zijn eigen taal te bedienen, maar beide partijen moeten zich verplicht voelen tevens de morele taal van de ander te spreken en te verstaan.
Samen leven, samen spreken
Er zijn natuurlijk wel objectieve redenen voor het voeren van een dergelijk debat. Als mensen in één land samenleven, legt dat hun de verplichting op, te zoeken naar overeenstemming. Christenen en niet-christenen zullen met elkaar in gesprek moeten gaan om gedeelde waarden en een gemeenschappelijke liefde te vinden. Paas ziet ook een basis waarop dit gesprek gevoerd kan worden. Er is gemeenschappelijk goed, dat door allen wordt nagestreefd. Tot dat goed behoren in elk geval de waarden vrijheid en gelijkheid. Beide groepen zien deze begrippen als constituerend voor een wel geordende, democratische samenleving. Ze behoren tot het gemeenschappelijk goed, ‘the common good’, zoals Paas het bij voorkeur noemt. Maar die door allen gedeelde erkenning van hun betekenis staat niet gelijk met consensus.
In de liberale visie is de mens autonoom. Hij bepaalt zelf hoe zijn leven er uit moet zien. Dat kan hij helemaal alleen, want hij heeft niemand anders nodig om zichzelf te zijn. Die opvatting, zo betoogt Paas, is in de grond van de zaak schadelijk voor zowel de vrijheid als de gelijkheid. In een proces van voortgaande individualisering zullen vrijheid en gelijkheid steeds meer aan kwaliteit inboeten, en op den duur onherkenbaar worden. Een alternatieve, christelijk geïnspireerde visie op de mens kan hier helpen om de waarden van vrijheid en gelijkheid opnieuw tot hun recht te doen komen. Met de liberale theorie moet men onherroepelijk vastlopen.
Meer dan de meerderheid
Als de maatschappij een verzameling is van autonome individuen, kunnen immers algemene regels voor goed en kwaad alleen bij meerderheid van stemmen gevonden worden. Zo’n meerderheidsbesluit wordt dan vervolgens tot norm verheven. De bezwaren van dat systeem behoeven nauwelijks betoog. Men moet wel een haast sprookjesachtig vertrouwen hebben in de mens, om te kunnen geloven dat beslissingen van hoog zedelijk gehalte getroffen zullen worden door een menigte van individuen, die ieder voor zich geen andere maatstaf kennen dan welbegrepen eigenbelang. En alsof dat niet erg genoeg is, zullen hun besluiten geen enkel werkelijk houvast bieden. Want wat vandaag bij meerderheid van stemmen wordt beslist, kan morgen door een nieuwe meerderheid ongedaan gemaakt worden.
Paas ziet het dan ook als de christelijke inbreng in dat tweetalige debat, duidelijk te maken dat we normen en waarden niet zomaar willekeurig kunnen verzinnen. De begrippen vrijheid en gelijkheid zijn geworteld in de geschiedenis, die in hoge mate gestempeld is door het christelijk geloof. Los van die herkomst verliezen ze hun kwaliteit. Ze dreigen voortdurend met elkaar in conflict te raken en in hun tegendeel te verkeren. De christen kan met goede argumenten betogen dat vrijheid en gelijkheid degenereren, als ze te ver afdwalen van hun christelijke oorsprong. Ze hebben een verbindend element nodig, een door allen gedeelde liefde, die we broederschap zouden kunnen noemen.
Waarheid zoeken
Die erkenning van broederschap als een basiswaarde heeft uit de aard der zaak ook consequenties voor de wijze waarop het debat wordt gevoerd. Ons doel moet dan niet zijn de ander zo volkomen te weerleggen dat hij er het zwijgen toe doet. We willen hem juist uitnodigen mee te doen aan het gesprek, opdat wij allen elkaar zouden helpen samen de waarheid te zoeken. Of we die ooit vinden is een ander verhaal. Een debat als dit, tussen principiële tegenvoeters, kan beter maar zonder al te veel illusies gevoerd worden. Maar het vindt plaats, zoals Paas zeer treffend zegt in het voetspoor van Lesslie Newbigin, vanuit de dubbele overtuiging dat er enerzijds waarheid bestaat, en dat anderzijds niemand die in pacht heeft (49).
Zo’n publieke gedachtenwisseling, waarin je weliswaar mijlen van elkaar afstaat, maar toch voor elkaar bereikbaar wilt blijven, vraagt van beide partijen dat ze de goede omgangsvormen in acht nemen, en elkaar dus met respect bejegenen. Enige scherpte zal daaraan geen afbreuk doen. Maar wie een ander wil bereiken moet hem in elk geval niet opzettelijk beledigen. Met het thans onaantastbaar geachte recht tot kwetsen moet het dus gedaan zijn. Ik heb mij ook dikwijls verwonderd over die revolutionaire omkeer van alles wat goede smaak en burgerlijk fatsoen ons altijd zo soepel en ongedwongen hadden voorgeschreven, en was naïef genoeg om te geloven dat de wal het schip wel eens zou keren. Het boek van Paas heeft mij in dat opzicht minder optimistisch gestemd, want de auteur weet er een verklaring voor te geven die tegelijk aangeeft waarom deze kwalijke gewoonte zich wel eens zou kunnen handhaven.
Wil tot discussie
Paas constateert namelijk dat veel leden van de seculiere elite helemaal geen discussie meer willen. Misschien zijn ze volkomen overtuigd van hun eigen gelijk, misschien ook geloven ze dat er geen waarheid bestaat, zodat men zich maar beter geen moeite moet geven om die te zoeken. Een gesprek over fundamentele vragen dient dan nergens toe. Het heeft geen wetenschappelijk belang, als waarheid onkenbaar is, en het heeft geen praktisch belang, als de machtsverhoudingen toch al naar volle tevredenheid geregeld zijn. En wie eenmaal de macht heeft, kan de machtelozen blijven bespotten. Als Paas gelijk heeft, is al dat kwetsen niet zozeer een pueriele uitbarsting van zinloos verbaal geweld, als wel een middel om de sinds kort bestaande maar wel voor altijd gewenste orde te handhaven. Met scheldkanonnades die niet beantwoord mogen worden houd je de ander op zijn plaats.
Liberaal Manifest
Er is uit de aard der zaak wel een manier waarop je het spotten en kwetsen overbodig kunt maken, en dat is zorgen dat niemand gaat denken op een manier die jij verwerpelijk vindt. Dat kan, als je volledige controle weet te krijgen over het onderwijs. Paas laat zien, dat de seculiere elite bereid is tamelijk ver te gaan bij de verdediging en instandhouding van een cultuur die op haar waarden is gegrondvest. Hij citeert daartoe bij voorbeeld het Liberaal Manifest, een document dat je ronduit potsierlijk zou noemen als het niet afkomstig was van een grote en invloedrijke politieke partij. ‘Het onderwijs’, zo leert ons dat manifest, ‘is niet katholiek, protestant, islamitisch of atheïstisch, maar seculier. Samen met de ouders vormt onderwijs kinderen tot burgers die in de publieke ruimte met hun medeburgers kunnen samenleven’.
Het meest sinister en onheilspellend zijn die woorden ‘samen met de ouders’. Als die ouders nu eens wel katholiek, protestant, islamitisch of atheïstisch zouden zijn, moeten ze dan toch meewerken aan die seculiere opvoeding? De getuigenissen die Paas hier heeft verzameld zijn op dat punt volkomen duidelijk. Ze moeten. ‘Het is voor de samenleving van enorm groot belang’, zegt mijn in andere opzichten gewaardeerde Engelse vakgenoot Jonathan Israel, ‘dat kinderen op de juiste wijze worden onderwezen over dingen als participatie in de maatschappij, democratie, vrijheid van meningsuiting’. Ze moeten leren verdraagzaam te zijn. Maar, zo waarschuwt ons Israel, tolerantie is niet wat Nederlanders er van gemaakt hebben. Tolerantie is zorgvuldig gecoördineerde actie van de hoeders van de staat, de opvoeding en de opinievorming, om theologische haatgevoelens en vooroordelen te neutraliseren. Maar als dat tolerantie is, kun je het beste helemaal voorkomen dat theologische haatgevoelens gezaaid worden. En dan betekent ‘samen met de ouders’ inderdaad, dat ook die ouders er aan moeten geloven. Zijn ze christelijk, dan dienen ze samen met hun kinderen seculier te worden.
Het valt op in Israels betoog, dat hij die gevaarlijk geachte vooroordelen en gevoelens van haat kwalificeert als ‘theologisch’, bij hem vermoedelijk gewoon een ander woord voor godsdienstig. Godsdienst is slecht en secularisme is goed. De moderne, tolerante, liberale staat is een reactie op die slechte godsdienst. ‘Het politiek liberalisme’, verzekert ons het reeds geciteerde Liberaal Manifest, ‘is ontstaan als antwoord op de godsdienstoorlogen die Europa in de zestiende en zeventiende eeuw verscheurden’. Onder de opstellers van het manifest bevond zich een hoogleraar in de geschiedfilosofie. Toch zie ik niet hoe een gewoon historicus bij een tentamen over de zestiende en zeventiende eeuw zo’n antwoord ernstig zou kunnen nemen, als het kwam uit de mond van een student. Het is een constructie, die nog maar korte tijd bestaat. Toen Nederlanders last begonnen te krijgen van radicale moslims, wilden ze de islam aan banden leggen. Maar dat zou discriminatie op grond van godsdienst zijn. Je mocht niet zomaar de islam achterstellen bij het christendom. Dus moest je de christenen even hard aanpakken als de moslims, en om dat te rechtvaardigen, herschreef je de geschiedenis. Daar weet toch niemand meer iets van, dus kun je het verleden laten zeggen wat je zelf het beste uitkomt.
Willen Nederlanders vrede?
Zo zou ik op dat verhaal reageren. Maar Paas wil vrede stichten. Hij gaat dus in volmaakte ernst op dit politiek geïnspireerde hersenspinsel in, en wijdt een aantal interessante bladzijden aan de geschiedenis van de godsdienstoorlogen, hun oorzaken en hun gevolgen. Dat zal dan zijn eerste bijdrage aan dat tweetalige debat moeten zijn. We zullen duidelijk hebben te maken dat godsdienst net als liberalisme of socialisme zowel tot nut als tot schade van de mensheid gebruikt kan worden. In dat debat zou ik dan tevens aandacht vragen voor de grote christelijke democratieën Engeland en de Verenigde Staten. De tweede wordt bij Paas wel een paar keer genoemd, de eerste heb ik in zijn boek niet kunnen vinden, terwijl toch Engeland een brutale dwarsligger is, wanneer je Verlichting en democratie als moeder en dochter met elkaar in relatie wilt brengen.
Of Paas zijn doel zal bereiken weet ik niet. In het Nederlands Dagblad las ik het verslag van een discussie tussen hem en de Leidse rechtsfilosoof Afshin Ellian, die zijn bijdrage aan de gedachtenwisseling begon met de woorden: ‘jullie zijn lieve mensen, maar toch blijf ik jullie wantrouwen’ [1]. Dat gesprek heeft dus niets opgeleverd, want met zulke onbeweegbare partners kom je aan argumenten niet eens toe. Het zal vast niet de laatste teleurstelling blijven, en misschien ontzinkt Paas nog eens de moed. Toch zou het jammer zijn als hij er mee ophield. Hij heeft genoeg kennis van zaken om het debat te kunnen voeren en genoeg geduld om het te willen voeren. ‘Jullie zijn lieve mensen’ kan hij Ellian nazeggen, maar met een ander vervolg: ‘laten we elkaar dus vertrouwen’. Voor de gedachtenwisseling die zich dan kan ontwikkelen heeft Paas zeer veel en zeer belangrijk materiaal aangedragen.
[1] Noot van de redactie: deze discussie vond plaats op het WI-congres Macht en overtuiging, gehouden op 14 april jongstleden. In het komende najaar worden de diverse bijdragen aan dit congres door het WI gepubliceerd.




