Over de Geest van de wetten – Montesquieu

20.01.2011 |

Montesquieu – Over de Geest van de wetten (vertaling en nawoord Jeanne Holierhoek)
888 pagina’s
Boom: Amsterdam 2006
ISBN: 9085060729

Door Geert Jan Spijker (Denkwijzer 2007 / 4)

Tegen een overvloed aan overheid
In 1748 publiceerde de Fransman Montesquieu zijn klassiek geworden werk Over de geest van de wetten. Het opnieuw vertaalde boek is vooral bekend vanwege de leer van de Trias Politica, de scheiding der machten. Maar deze edelman heeft meer relevante gedachten nagelaten dan alleen de Triasleer. Groen van Prinsterer zag in hem een ‘schrijver der revolutie’; maar misschien is het ons toch vergund iets van Montesquieu te leren, bijvoorbeeld over de verhouding tussen democratie en rechtsstaat.

I. Rechtsstaat: macht beperkt door recht
Rechtsstaat en democratie staan op gespannen voet met elkaar. Vaak worden ze op een hoop gegooid, maar dat is een te simpele voorstelling van zaken. Democratie betekent immers dat het volk (de meerderheid) regeert. De rechtsstaat daarentegen houdt in dat het recht de overheidsmacht inperkt, dat minderheden tegen de meerderheid worden beschermd. Democratie en rechtsstaat kunnen dus botsen. Een volk kan de rechtsstaat democratisch afschaffen.

Een nieuwe tijd
Hoe staat dat bij Montesquieu, in eerste helft van de achttiende eeuw? Volgens hem is het recht niet zomaar een menselijk maaksel, maar de afspiegeling van een door God gegeven orde. De wetten vormen de (onvolmaakte) concretisering van dit gegeven recht. Die concretisering is altijd toegesneden op een bepaald land met een eigen specifieke context, een eigen geest – vandaar de titel. De nationale wetgever dient zich naar deze geest te voegen. Omdat de wet slechts een concretisering van het goddelijke recht is, stijgt de legitimiteit van de rechtsorde uit boven de samenleving en bindt het de wil van de vorst. Hij is gebonden aan de historisch gegroeide constitutie. Doet hij dat niet, gaat hij in tegen het goddelijke recht en ontpopt hij zich tot tiran.

Dit denken werd na de Middeleeuwen ondergraven door de opkomst van het soevereiniteitsdenken. Denkers als Jean Bodin zeiden dat de soevereine vorst zichzelf niet kan binden. Hierdoor werden het goddelijke recht en de menselijke wetten steeds meer van elkaar losgekoppeld. Een andere belangrijke ontwikkeling was de centralisering van de macht. De macht van de koning groeide ten koste van die van de regio’s waarin de adel een wezenlijke rol speelde.

Tussenmachten als middenveld
In deze context moeten we dit boek situeren. De aristocraat Montesquieu zag een belangrijke rol voor de adel weggelegd in ‘zijn’ Franse landsbestuur. Die rol had de adel immers eeuwenlang succesvol vervuld. Die rol was ook hard nodig voor het vormgeven van een gematigde staat. En daarmee raken we het kardinale punt: Frankrijk moest niet vervallen tot een despotisch regime, waarin een absoluut vorst heerst en de angst regeert. Hij pleit hartstochtelijk voor een gematigde monarchie, waarin een wezenlijke, onmisbare rol is weggelegd voor bemiddelende krachten. Deze ‘tussenmachten’ vormen een soort maatschappelijk middenveld waarin steden, gilden, kerk, rechtspraak en met name de adel belangrijke bevoegdheden en eigen (decentrale) vrijheden hadden. Het evenwicht tussen de vorst en de tussenmachten voorkwam de vorst een tiran werd. De maatschappelijke netwerken en relatief autonome regio’s perkten de macht van de vorst in. Talloze codes en relaties – ofwel het recht – zorgden voor een behoorlijke balans tussen de machten. Al die ‘slootjes en dijkjes’ om de vorst heen kanaliseerden de centrale macht en voorkwamen dat die het land ‘overstroomt’ en individuen en groeperingen hun (politieke) vrijheid ontnam. De aloude voorrechten van adel, kerk en steden achtte Montesquieu dus hard nodig om te voorkomen dat de monarchie ontaardt in een schrikbewind waarin de overheid onbegrensd het land en de onbeschermde burgers overspoelt.

Spreiding der machten
In een gematigde staatsvorm worden “de verschillende machten (…) gecombineerd, georganiseerd, ingetoomd, geactiveerd. De ene macht moet als het ware van ballast worden voorzien om tegen een andere macht op te kunnen.”

In vroeger tijden was er een spontaan evenwicht tussen koning, tussenmachten en de onderdanen. In de nieuwe tijd voldoet die niet meer. Hier zien we de fameuze Trias Politica opduiken: de scheiding of correcter spreiding der machten. Door de spreiding van de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende machten ontstaat er een systeem van checks and balances waarin de samenleving beschermd wordt. In de aloude monarchie was van oudsher welhaast spontaan het evenwicht tussen de deelnemers van de macht aanwezig. De nieuwe tijd vereiste echter een nieuwe, juridische structuur: de Trias. Daarin bemiddelt het recht expliciet tussen koning en andere, meer decentrale machten en begrenst het die machten eveneens. Zo garandeert het recht de vrijheid van individuen en groeperingen in de nieuwe samenleving, ondanks al hun verschillen en belangen.

II. Democratie: het volk regeert
Montesquieu blijkt een voorstander te zijn van de monarchie. We moeten echter beseffen dat hij dit bedoelde in de Franse context. Ieder land heeft zijn eigen context. De situatie en aard van een staat wordt bepaald door diens klimaat, bodemgesteldheid, ligging, grootte, religie, economie, etc. Montesquieu onderzoekt al deze factoren en de samenhang, de relaties ertussen: “allemaal bij elkaar vormen ze datgene wat ik de geest van de wetten noem.” Zo draagt hij bijvoorbeeld Holland, destijds een republiek, ook een warm hart toe. Het bestuur is het meest in overeenstemming met de natuur “als het qua aard goed past bij de aard van het volk waarvoor het in aangesteld.” Essentieel is dat het een gematigd regime is, en dat kan – buiten Frankrijk – ook heel goed in een democratische vorm.

Democratie behoeft de deugd
Montesquieu spreekt van een democratie als het volk als geheel de soevereine macht heeft. Het volk stelt de wetten vast. Er ligt dus een belangrijke verantwoordelijkheid op de schouders van de burgers. Daarom is de drijvende kracht van de democratie de (politieke) deugd. Die houdt in dat de burger liefde heeft voor zijn land en voor de wetten. Een democratie vergt veel van de burger. Ze brengt met zich mee dat het algemeen belang voorrang heeft op het eigen belang. Een actieve betrokkenheid op de publieke zaak is noodzakelijk in een democratie. En als die er is zal ze leiden tot goede zeden. Democratie is dus mooi, maar het vraagt veel van iedereen. Het hele volk is immers betrokken bij het bestuur. Gevaren liggen dan ook op de loer. Burgers worden makkelijk onverschillig, vooral door geld en luxe. Al te snel zet hij toch de eigen ambities en belangen op de voorgrond, vreest Montesquieu. Door weelde kakt het volk in. Liefde voor democratie is dan ook liefde voor soberheid.

Conclusie
Montesquieu is dus zeker niet antidemocratisch. In andere contexten dan Frankrijk acht hij democratie wel degelijk aanbevelenswaardig. Deze vorm vraagt echter wel de actieve inzet van burgers voor de publieke zaak. Uiteindelijk staat centraal bij Montesquieu dat een regime gematigd is. De macht van de vorst moet door het recht worden beperkt. In de Franse monarchie behoorden daarom de adel en andere machten een essentiële rol te spelen om te zorgen voor machtsevenwicht. Dit evenwicht behoefde in de moderne tijd een expliciete, transparante juridische structuur die Montesquieu met de Trias Politica leverde. Zo garandeert het recht de vrijheid van alle individuen en groeperingen in de samenleving, ondanks de vele verschillen en belangen. Iets waar wij tegenwoordig nog steeds baat bij hebben.

Ik zou zeggen: proef dit monumentale boek, al was het maar vanwege zinnen als:

“Zoals de zee, die de hele aarde lijkt te willen overdekken, wordt tegengehouden door de grassen en het fijnste gruis langs de kust, zo komen monarchen, wier macht onbegrensd lijkt, tot stilstand voor de kleinste obstakels, brengen ze hun aangeboren trots onder het gezag van klachten en gebeden.”

Geert Jan Spijker
Medewerker van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie

details
9789085066699

Montesquieu – Over de Geest van de wetten (vertaling en nawoord Jeanne Holierhoek) 888 pagina’s Boom: Amsterdam 2006 ISBN: 9085060729 Door Geert Jan Spijker (Denkwijzer 2007 / 4) Tegen een

ZOEK EEN BOEK
 Opunie – opinie-magazine over christen & politiek » Blog Archive » Over de Geest van de wetten – Montesquieu

20.01.2011 |

Montesquieu – Over de Geest van de wetten (vertaling en nawoord Jeanne Holierhoek)
888 pagina’s
Boom: Amsterdam 2006
ISBN: 9085060729

Door Geert Jan Spijker (Denkwijzer 2007 / 4)

Tegen een overvloed aan overheid
In 1748 publiceerde de Fransman Montesquieu zijn klassiek geworden werk Over de geest van de wetten. Het opnieuw vertaalde boek is vooral bekend vanwege de leer van de Trias Politica, de scheiding der machten. Maar deze edelman heeft meer relevante gedachten nagelaten dan alleen de Triasleer. Groen van Prinsterer zag in hem een ‘schrijver der revolutie’; maar misschien is het ons toch vergund iets van Montesquieu te leren, bijvoorbeeld over de verhouding tussen democratie en rechtsstaat.

I. Rechtsstaat: macht beperkt door recht
Rechtsstaat en democratie staan op gespannen voet met elkaar. Vaak worden ze op een hoop gegooid, maar dat is een te simpele voorstelling van zaken. Democratie betekent immers dat het volk (de meerderheid) regeert. De rechtsstaat daarentegen houdt in dat het recht de overheidsmacht inperkt, dat minderheden tegen de meerderheid worden beschermd. Democratie en rechtsstaat kunnen dus botsen. Een volk kan de rechtsstaat democratisch afschaffen.

Een nieuwe tijd
Hoe staat dat bij Montesquieu, in eerste helft van de achttiende eeuw? Volgens hem is het recht niet zomaar een menselijk maaksel, maar de afspiegeling van een door God gegeven orde. De wetten vormen de (onvolmaakte) concretisering van dit gegeven recht. Die concretisering is altijd toegesneden op een bepaald land met een eigen specifieke context, een eigen geest – vandaar de titel. De nationale wetgever dient zich naar deze geest te voegen. Omdat de wet slechts een concretisering van het goddelijke recht is, stijgt de legitimiteit van de rechtsorde uit boven de samenleving en bindt het de wil van de vorst. Hij is gebonden aan de historisch gegroeide constitutie. Doet hij dat niet, gaat hij in tegen het goddelijke recht en ontpopt hij zich tot tiran.

Dit denken werd na de Middeleeuwen ondergraven door de opkomst van het soevereiniteitsdenken. Denkers als Jean Bodin zeiden dat de soevereine vorst zichzelf niet kan binden. Hierdoor werden het goddelijke recht en de menselijke wetten steeds meer van elkaar losgekoppeld. Een andere belangrijke ontwikkeling was de centralisering van de macht. De macht van de koning groeide ten koste van die van de regio’s waarin de adel een wezenlijke rol speelde.

Tussenmachten als middenveld
In deze context moeten we dit boek situeren. De aristocraat Montesquieu zag een belangrijke rol voor de adel weggelegd in ‘zijn’ Franse landsbestuur. Die rol had de adel immers eeuwenlang succesvol vervuld. Die rol was ook hard nodig voor het vormgeven van een gematigde staat. En daarmee raken we het kardinale punt: Frankrijk moest niet vervallen tot een despotisch regime, waarin een absoluut vorst heerst en de angst regeert. Hij pleit hartstochtelijk voor een gematigde monarchie, waarin een wezenlijke, onmisbare rol is weggelegd voor bemiddelende krachten. Deze ‘tussenmachten’ vormen een soort maatschappelijk middenveld waarin steden, gilden, kerk, rechtspraak en met name de adel belangrijke bevoegdheden en eigen (decentrale) vrijheden hadden. Het evenwicht tussen de vorst en de tussenmachten voorkwam de vorst een tiran werd. De maatschappelijke netwerken en relatief autonome regio’s perkten de macht van de vorst in. Talloze codes en relaties – ofwel het recht – zorgden voor een behoorlijke balans tussen de machten. Al die ‘slootjes en dijkjes’ om de vorst heen kanaliseerden de centrale macht en voorkwamen dat die het land ‘overstroomt’ en individuen en groeperingen hun (politieke) vrijheid ontnam. De aloude voorrechten van adel, kerk en steden achtte Montesquieu dus hard nodig om te voorkomen dat de monarchie ontaardt in een schrikbewind waarin de overheid onbegrensd het land en de onbeschermde burgers overspoelt.

Spreiding der machten
In een gematigde staatsvorm worden “de verschillende machten (…) gecombineerd, georganiseerd, ingetoomd, geactiveerd. De ene macht moet als het ware van ballast worden voorzien om tegen een andere macht op te kunnen.”

In vroeger tijden was er een spontaan evenwicht tussen koning, tussenmachten en de onderdanen. In de nieuwe tijd voldoet die niet meer. Hier zien we de fameuze Trias Politica opduiken: de scheiding of correcter spreiding der machten. Door de spreiding van de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende machten ontstaat er een systeem van checks and balances waarin de samenleving beschermd wordt. In de aloude monarchie was van oudsher welhaast spontaan het evenwicht tussen de deelnemers van de macht aanwezig. De nieuwe tijd vereiste echter een nieuwe, juridische structuur: de Trias. Daarin bemiddelt het recht expliciet tussen koning en andere, meer decentrale machten en begrenst het die machten eveneens. Zo garandeert het recht de vrijheid van individuen en groeperingen in de nieuwe samenleving, ondanks al hun verschillen en belangen.

II. Democratie: het volk regeert
Montesquieu blijkt een voorstander te zijn van de monarchie. We moeten echter beseffen dat hij dit bedoelde in de Franse context. Ieder land heeft zijn eigen context. De situatie en aard van een staat wordt bepaald door diens klimaat, bodemgesteldheid, ligging, grootte, religie, economie, etc. Montesquieu onderzoekt al deze factoren en de samenhang, de relaties ertussen: “allemaal bij elkaar vormen ze datgene wat ik de geest van de wetten noem.” Zo draagt hij bijvoorbeeld Holland, destijds een republiek, ook een warm hart toe. Het bestuur is het meest in overeenstemming met de natuur “als het qua aard goed past bij de aard van het volk waarvoor het in aangesteld.” Essentieel is dat het een gematigd regime is, en dat kan – buiten Frankrijk – ook heel goed in een democratische vorm.

Democratie behoeft de deugd
Montesquieu spreekt van een democratie als het volk als geheel de soevereine macht heeft. Het volk stelt de wetten vast. Er ligt dus een belangrijke verantwoordelijkheid op de schouders van de burgers. Daarom is de drijvende kracht van de democratie de (politieke) deugd. Die houdt in dat de burger liefde heeft voor zijn land en voor de wetten. Een democratie vergt veel van de burger. Ze brengt met zich mee dat het algemeen belang voorrang heeft op het eigen belang. Een actieve betrokkenheid op de publieke zaak is noodzakelijk in een democratie. En als die er is zal ze leiden tot goede zeden. Democratie is dus mooi, maar het vraagt veel van iedereen. Het hele volk is immers betrokken bij het bestuur. Gevaren liggen dan ook op de loer. Burgers worden makkelijk onverschillig, vooral door geld en luxe. Al te snel zet hij toch de eigen ambities en belangen op de voorgrond, vreest Montesquieu. Door weelde kakt het volk in. Liefde voor democratie is dan ook liefde voor soberheid.

Conclusie
Montesquieu is dus zeker niet antidemocratisch. In andere contexten dan Frankrijk acht hij democratie wel degelijk aanbevelenswaardig. Deze vorm vraagt echter wel de actieve inzet van burgers voor de publieke zaak. Uiteindelijk staat centraal bij Montesquieu dat een regime gematigd is. De macht van de vorst moet door het recht worden beperkt. In de Franse monarchie behoorden daarom de adel en andere machten een essentiële rol te spelen om te zorgen voor machtsevenwicht. Dit evenwicht behoefde in de moderne tijd een expliciete, transparante juridische structuur die Montesquieu met de Trias Politica leverde. Zo garandeert het recht de vrijheid van alle individuen en groeperingen in de samenleving, ondanks de vele verschillen en belangen. Iets waar wij tegenwoordig nog steeds baat bij hebben.

Ik zou zeggen: proef dit monumentale boek, al was het maar vanwege zinnen als:

“Zoals de zee, die de hele aarde lijkt te willen overdekken, wordt tegengehouden door de grassen en het fijnste gruis langs de kust, zo komen monarchen, wier macht onbegrensd lijkt, tot stilstand voor de kleinste obstakels, brengen ze hun aangeboren trots onder het gezag van klachten en gebeden.”

Geert Jan Spijker
Medewerker van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie

gerelateerd

   Geen gerelateerde artikelen gevonden

BESTGELEZEN